De eerste science fiction

Christiaan Huygens: Cosmotheoros, de wereldbeschouwer. Vertaling uit het Latijn door P. Rabus, met een nawoord van prof. dr. H. A. M. Snelders. Facsimile van de originele uitgave. Epsilon, Utrecht, 1989. ISBN 90-5041-015-4.

'Het kan naauwlijks anders wezen, zeer waarde Broeder, of iemand, die met Kopernikus oordeelt, dat het Aardrijk, 't welk wy bewonen, een van de Dwaalstarren is, die rondom de Zon draijen, en van de zelve haar licht krijgen, moet somtijds denken, dat het niet onredelijk is, te stellen, dat alle de andere Klooten, zoo wel als de onze, hare cieraden, en misschien ook hare bewoners, hebben...''

Zo begint Christiaan Huygens een bevlogen, oorspronkelijk in het Latijn geschreven brief aan zijn broer Constantijn, destijds Hollands geheimschrijver in dienst van de Engelse koning. Tijdens de vele nachten die de broers vroeger samen achter de sterrenkijker doorbrachten, kwam ongetwijfeld de vraag op hoe het er op de planeten uit zou zien. Het leek Christiaan vermakelijk om zijn losse, op kladblaadjes genoteerde invallen nader uit te werken. In twee lange brieven maakte hij zijn broer, die een jaar ouder was, en met wie hij een levenslange vriendschap onderhield, deelgenoot van zijn wereldbeschouwing.

Als er op aarde planten, dieren en mensen leven, waarom dan niet op de andere planeten, zo redeneert Huygens opgewekt. Uit het werk van Copernicus blijkt immers, dat de aarde als hemellichaam geen uitzonderingspositie in het heelal inneemt. Net als de andere planeten is de aarde bolvormig en draait zijn baantjes om de zon, waarvan hij, net als de andere planeten, zijn licht ontvangt. Waarom zou er dan op de aarde wel leven voorkomen, maar op de andere planeten niet? Het is een - zeker voor die dagen - overtuigend betoog. Als men een hond opensnijdt en de ingewanden, het hart, de maag en de longen ziet, zegt Huygens, twijfelt men er niet aan dat ook andere dieren als een os of een varken diezelfde organen bezitten. Een zelfde analogieredenering gaat ook op voor de aarde ten opzichte van de andere planeten. Het belangrijkste criterium voor het wel en wee op die planeten is volgens de wis- en sterrenkundige de afstand tot de zon.

Redelijke dieren

De Utrechtse hoogleraar prof.dr. H.A.M. Snelders, die bij de moderne editie uit 1989 het nawoord verzorgt, wijst erop hoe de auteur zich bij voorbaat te weer stelt tegen de kritiek die hij van anti-Copernicanen en theologen mag verwachten. Daarom hanteert hij ook metafysische argumenten, die tot dezelfde slotsom leiden: als God de aarde geschapen heeft om de grootheid van Zijn schepping te bewonderen en te doen begrijpen, waarom zou Hij dan met de andere planeten niet een zelfde bedoeling hebben gehad? Als op de andere planeten planten en dieren leven, dan zou het verwaand zijn, aan te nemen dat enkel op de aarde 'redelijke dieren' voorkomen. Volgens Huygens zouden deze werelddelen, hoe sierlijk ook gemaakt, tevergeefs en 'te geenen einde of inzigt' gemaakt zijn als daarmee niet beoogd was dat iemand ze zou zien, die haar fraaiheid zou beseffen, tevens de hoogste vrucht daarvan trekken en de wijsheid des hoogsten werkmeester met verwondering beschouwen.

Starrelingen

Als de andere planeten bewoond zijn, mogen we aannemen dat deze 'starrelingen' ogen, handen en voeten hebben zoals wij. “Zij leven in maatschappij, zij hebben 't vermaak van samenkouten, liefkozen enz. Zij timmeren huizen tegen den regen. Zij kennen de Scheepvaardy en de daar toe behoorende konsten, ook de Meetkunde, en de Zangkonst, welke echter verscheiden zoude konnen wezen van de onze...”

Als je dit leest, maakt een gevoel van hilariteit gaandeweg plaats voor ontroering. Alleen al de manier waarop Huygens, zelf grondlegger van de theorie van het licht, “de verbazende konstenarij” beschrijft waarmee onze ogen zijn “toegestelt om 't Ligt te genieten”, anders dan “Mollen of Pierwormen”, is onovertroffen.

Het tweede deel van de brieven is meer fysisch van aard en behandelt ondermeer een vernuftige methode om de afstand van de vaste sterren tot de aarde te bepalen in vergelijking met de afstand tot de zon. Het eindigt met een scherpe kritiek op het wereldbeeld van Descartes, wiens theorie over de planetenbeweging “met sulke slegte bewijzen is samengeweven, dat ik my menigmaal verwondere, hoe hy zoo veel moeite heeft konnen nemen in zulke verdigtsels op te schikken.”

De brieven worden uitgegeven bij de Haagse boekhandelaar Adriaan Moetjens. In het voorjaar van 1695 echter, als de drukproeven van het eerste deel gereed zijn, gaat Christiaans gezondheid zienderogen achteruit. Op 23 maart beschikt hij bij testament dat de uitgave van het werk door zijn broer moet worden voortgezet, maar twee jaar later wordt “ook de Heer Konstantijn door het sterflot weggerukt en het maaksel van zijn tweede Vader beroofd.” In 1698 verschijnt de Latijnse tekst postuum, in ongewijzigde vorm, onder de titel Kosmotheoros, in datzelfde jaar verschijnt ook een Engelse vertaling. Een jaar later publiceert de dichter, tijdschriftredacteur en vertaler Petrus Rabus bij de Rotterdamse boekdrukker Barend Bos een Nederlandse vertaling, die hem - blijkens zijn voorwoord - heel wat zweetdruppeltjes moet hebben gekost, omdat “eenige zaken in 't Latijn zoo kort afgebroken zijn en met zulk een schrijfwijze geschikt zijn, dat ze schijnen geen vertaling bijna te willen lijden”. In 1702 volgen een Franse, in 1704 een Duitse en in 1717 een Russische vertaling. Deze laatste kwam er op initiatief van Tsaar Peter de Grote, die tussen 1696 en 1698 incognito in Holland en Engeland verbleef om zich in de scheepvaart te verdiepen. Het is het eerste natuurwetenschappelijke boek dat in Rusland verschijnt. De drukker vindt het zo'n antichristelijk, godslasterlijk boek, dat hij er maar een paar exemplaren van laat maken, maar tien jaar later verschijnt in opdracht van de tsaar een herdruk van Huygens populairste boek.