Concurrentienota signaleert wel potentieel; Nederlandse economie ontbeert dynamiek en vernieuwingskracht

DEN HAAG, 29 JUNI. De Nederlandse economie scoort relatief goed als het gaat om wisselkoersstabiliteit, inflatie, onderwijs, besparingen en de produktie per werknemer, maar blijft achter met dynamiek, aanpassingsvermogen en vernieuwingskracht.

Dit blijkt uit de Toets op het concurrentievermogen van de Nederlandse economie, een nota die vanochtend namens het kabinet door minister Wijers (Economische Zaken) is gepresenteerd.

De concurrentietoets is een idee van multinational Shell en de werkgeversorganisaties. De methode is in het bedrijfsleven gebruikelijk. De Nederlandse economie wordt op een achttal punten vergeleken met andere goed presterende economieën, waarmee Nederland nauwe handelsrelaties onderhoudt (Duitsland, België en Denemarken) en landen die institutioneel wezenlijk anders zijn, maar waarvan Nederland kan leren (VS en Japan).

“Nederland heeft grote potenties en stille reserves”, zei Wijers vanmorgen in een toelichting op de nota. “We zitten op goud, maar dat moeten we wel eerst delven”. De geringe inschakeling van de beroepsbevolking in het arbeidsproces (50 procent, tegen 66 procent in Denemarken, 60 procent in Duitsland, 68 procent in de VS en 82 procent in Japan), kun je volgens Wijers als zwakte zien, maar ook als “stille reserve”.

Zwak is Nederland als het om dynamiek gaat. “Nieuwe bedrijven blijven relatief lang klein en vormen geen concurrentie voor het grotere gevestigde bedrijfsleven”, aldus Wijers.

Nederland is nummer 1 als het gaat om de wisselkoersstabiliteit en nummer 2 in inflatie, zo blijkt uit de nota. Het begrotingstekort zal de komende jaren duidelijk moeten worden teruggedrongen, schrijft Wijers in de nota. Nederland scoort hier gemiddeld.

Het aantal publikaties van universiteiten en grote kennisinstellingen is relatief hoog, maar het schort aan aansluiting tussen onderzoek bij publieke kennisinstellingen en de vraag naar kennis bij het bedrijfsleven. De investeringen in onderzoek en ontwikkeling van bedrijven blijven in internationaal perspectief achter.

De uitgaven per leerling in het primaire en secundaire onderwijs zijn relatief laag. Een ander negatief punt bij de beoordeling van het onderwijs is de minder goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Voor met name academici wordt deze aansluiting zwak genoemd. De uitval tijdens de studie bedraagt ongeveer 40 procent, terwijl dat in Japan slechts 10 procent is.

Ten aanzien van de bedrijfsbesparingen (ingehouden winsten) neemt Nederland, samen met Denemarken en Duitsland, een koppositie in. Als nadeel wordt door het bedrijfsleven ervaren dat uitgekeerde winsten in Nederland aanmerkelijk zwaarder worden belast dan ingehouden winsten. Met de loonkosten neemt Nederland een gemiddelde positie in, evenals met de dynamiek op de arbeidsmarkt.

De geringe verschillen in beloning worden als zwak punt geafficheerd. De afstand tussen de gemiddelde en de minimumloonkosten is gering, hetgeen de inschakeling van laaggeschoolden bemoeilijkt. De Nederlandse export is volgens Wijers niet sterk gericht op die landen die snel groeien. Inkomsten uit kapitaal (rente en dividend) worden relatief zwaar belast. Het fiscale stelsel bevordert volgens de concurrentietoets “meer dan in andere landen risicomijdend gedrag”. De kapitaalbelasting (een heffing van 1 procent op bedrijven bij uitbreiding van het aandelenvermogen) en de vermogensbelasting worden uniek genoemd.