Christiaan Huygens 1629-1695

Christiaan, tweede zoon van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle, werd in 1629 te Den Haag geboren. Hij kreeg samen met de andere kinderen onderwijs aan huis. Voor hem speciaal stelde de vader ook een leraar wiskunde aan, want hij gaf snel blijk van een grote interesse in de mathematiek. Toen hij in 1646 naar Leiden werd gestuurd om rechten te studeren bracht hij zijn tijd dan ook vooral door met vraagstukken van Frans van Schooten, een van de grote wiskundigen van zijn tijd.

In het stadhouderloze tijdperk (1650-1672), ontstaan door de vroege dood van Willem II, kon vader Constantijn zijn zoons niet gemakkelijk aan een bestuursambt helpen. Daardoor kon Christiaan, die daar helemaal niet geschikt voor was, zich rustig aan de studie blijven wijden. Zijn genie, dat zonder twijfel tot de grootsten van ons land behoort, kreeg in het vaderlijke huis aan het Plein in Den Haag de ruimte zich volop te ontwikkelen. Hij speelde een sleutelrol in de wetenschapsrevolutie van de zeventiende eeuw. Hij vond het slingeruurwerk uit, dat hem wereldberoemd maakte, maar nog belangrijker was dat hij in zijn studie van de slingerbeweging ontdekte dat de centrifugale kracht daarin evenredig is met een versnelling. Deze uiterst belangrijke ontdekking is van 23 oktober 1659. De analyses van bewegende en botsende lichamen leidden in 1677 tot een theorie van het licht. Ook de praktische optica heeft hij bedreven. Samen met zijn oudere broer Constantijn sleep hij lenzen en maakte hij verrekijkers. Met zijn eerste kijker ontdekte hij in 1655 een maan (Titan) en de ring van Saturnus. Deze kamergeleerde - een professoraat was beneden zijn stand - correspondeerde met de groten der wetenschap. Zijn belangrijkste werk publiceerde hij in 1673 (Horologium oscillatorium) en 1690 (Traité de la lumière). Van 1666 tot 1681 was Christiaan lid van de Académie des Sciences te Parijs. Hij was minder produktief dan in Den Haag en verviel er in langdurige melancholische ziekten, waarvoor hij bij zijn vader thuis genezing zocht. Hij bleef ongetrouwd, maar onderhield wel relaties met vrouwen. Na zijn derde ziekteverlof werd hij, de kritische protestant, niet meer naar Frankrijk teruggeroepen. Toen dat in 1683 duidelijk geworden was, zette hij zich aan de verbetering van zijn klokken en keerde hij terug tot de jeugdliefde van de zuivere wiskunde. Na de dood van vader Constantijn kreeg hij Hofwijck als woning toegewezen. Al ontving hij wel eens kennissen, toch voelde hij zich daar eenzaam. Hier kwam een omvangrijke correspondentie met Leibniz tot stand, mede naar aanleiding van Newtons werk. Hij stierf in 1695, nu 300 jaar geleden.