Botsing voorkomen

EEN DREIGENDE frontale botsing tussen de Verenigde Staten en Japan over auto's en auto-onderdelen is in de allerlaatste bocht voorkomen. Enkele uren voordat de Verenigde Staten op de duurste modellen van Japanse auto's extreem hoge importtarieven zouden opleggen om de Japanners te dwingen hun automarkt te liberaliseren, kozen de Amerikaanse en Japanse onderhandelaars voor de vluchtstrook. Met het akkoord dat de twee grootste industrielanden in de wereld gisteren bereikten, zijn harde standpunten opgeofferd voor een compromis waarbij beide partijen zich de winnaar konden voelen.

De Amerikaanse opstelling had niet alleen te maken met het chronische tekort op de Amerikaanse handelsbalans met Japan. Reeksen onderhandelingen hebben dat tekort in dollars niet substantieel verlaagd en de Amerikaanse frustraties over de Japanse handelspraktijken louter vergroot. De Japanse markt is nog altijd tamelijk gesloten voor buitenlandse importen (het aandeel van geïmporteerde goederen op het totaal van de binnenlandse consumptie is in Europa of de VS ongeveer drie keer zo hoog). Japan wijkt af van het patroon van andere industrielanden, ook al omdat de gebruikelijke economische instrumenten zoals aanpassing van de wisselkoers in Japan door de inertie van het politiek-bureaucratische complex vrijwel geen effect hebben.

PRESIDENT CLINTON heeft de lobby van de Amerikaanse automobielindustrie voor grotere toegang tot de Japanse markt aangegrepen om zich politiek te profileren onder de blauwe-boordenwerkers van de industriële centra. Als het auto-akkoord de gehoopte banen oplevert, komt dat Clinton van pas in de aanloop naar de presidentsverkiezing van volgend jaar. Maar de eis van concrete cijfers voor specifieke produkten, een opmaat naar de gestuurde handel waarmee de Amerikaanse regering nu al drie jaar schermt, heeft Clinton laten vallen.

Het bereikte akkoord geeft de Japanse autofabrikanten de mogelijkheid om nu met politieke rugdekking van Tokio te doen wat ze toch al van plan waren: uitbreiding van de produktie en inkoop van goedkopere onderdelen in de Verenigde Staten. De dure yen maakt het economisch gezien buitengewoon aantrekkelijk om de produktie van Japanse auto's versneld naar het buitenland te verplaatsen. Dit is symptomatisch voor de reusachtige structurele problemen waarin de Japanse economie verkeert.

DIE PROBLEMEN verdienen meer aandacht dan de ruzie over auto-onderdelen of het aantal verkooppunten van Amerikaanse auto's in Japan. Vier jaar nadat de Japanse financiële speculatieballon werd doorgeprikt, verkeert de economie nog steeds in het stadium van stagnerende groei, stijgende munt en dalende prijzen van onroerend goed en financiële waarden. Deze deflatie vormt een regelrechte bedreiging voor de stabiliteit van het Japanse financiële stelsel. Het besef dat dringend iets aan deze spiraal van prijsdalingen gedaan moet worden, lijkt nog steeds niet te zijn doorgedrongen tot de Japanse bureaucratische elite. Het belangrijkste effect van het auto-akkoord is dat het vermoedelijk een einde zal maken aan de onstuitbare stijging van de yen. Wellicht ziet Japan dan in dat handelsliberalisatie helpt de druk weg te nemen van de binnenlandse economische problemen.