Bill Clinton is nu 'de president die opstond tegen Japan'

WASHINGTON, 29 JUNI. Handelsconflicten die op gezette tijden als ballonnen leeglopen, zijn gebruik geworden in de relaties tussen Washington en Tokio. Beide partijen zijn teruggeschrokken voor een handelsoorlog. De perspectieven op een instortende dollar enerzijds en een verder vastlopende Japanse economie anderzijds waren weinig aantrekkelijk.

Na een dramatisch schijngevecht zijn Amerika en Japan het gisteren eens geworden over een handelsakkoord, waarmee ongetwijfeld een nieuwe ronde schaduwboksen wordt geopend. Clinton heeft zijn politieke winst voor het “opstaan tegen Japan” al binnengehaald. De precieze resultaten zijn niet belangrijk, want Japans protectionisme roept nu veel minder emoties op dan tijdens de economische recessie drie jaar geleden.

Het akkoord gisteren biedt aanknopingspunten voor meer verkoop van Amerikaanse auto's en auto-onderdelen in Japan. Maar een doorbraak is het niet. In vage toezeggingen en afspraken lijkt het akkoord sterk op eerdere overeenkomsten die Amerika met Japan heeft gesloten. En die leidden wel tot verbeteringen, maar niet tot de resultaten die de Amerikanen wensten.

Aan de Amerikaanse eis tot streefcijfers is Japan niet tegemoet gekomen. Dat kan de Japanse minister van handel, Ryutaro Hashimoto, als een overwinning beschouwen. De Amerikaanse handelsgezant Kantor gaf toe dat de door hem gedane voorspellingen over de verkoop van auto-onderdelen en de toename van het aantal Japanse garages dat buitenlandse auto's verkoopt vrijblijvende Amerikaanse schattingen zijn. “Het is een vrijwillige overeenkomst, er zijn geen verplichtingen tussen regeringen, er zijn geen Amerikaanse handelswetten van toepassing en de cijfers kunnen veranderen door economische omstandigheden.”

De overeenkomst die president Bush in 1992 in Tokio sloot tot de aankoop van 19 miljard dollar aan auto-onderdelen was harder dan de huidige. De voorziene groei in dollars van Japanse aankopen was hoger en de dollar stond ook aanzienlijk hoger dan nu. President Clinton probeerde Japan tevergeefs aan dat akkoord van Bush te houden met het huidige conflict als gevolg. In juli 1993 bereikte Clinton een akkoord met de Japanse premier Miyazawa over streefcijfers, maar verdere onderhandelingen met diens opvolger Hosakawa mislukten vorig jaar.

Wel van belang is de belofte van de Japanse auto-industrieën om 500.000 auto's meer te gaan produceren in Amerika. De auto-onderdelen-industrie juicht die beslissing toe, maar voor de auto-industrie betekent het nieuwe concurrentie op eigen bodem. De Japanse autofabrieken werken in tegenstelling tot hun Amerikaanse concurrenten meestal zonder vakbonden.

De Japanse belofte het inspectiesysteem van auto's te veranderen, zodat Amerikaanse auto-onderdelen kunnen worden gebruikt bij reparaties, stuit op ingesleten maatschappelijke praktijken. Een enkele brief van Hashimoto aan Japanse autodealers prikkelt hen te weinig om met buitenlandse merken in zee te gaan.

Clyde Prestowitz, directeur van de handelsdenktank Economics Strategy Institute en voormalig Japan-onderhandelaar sympathiseert met president Clinton en hij vindt dat het stellen van vrijwillige doelen wel zin heeft. Hij hoopt dat een door president Clinton nog in te stellen Amerikaanse commissie de Japanners aan hun afspraken zal houden. Alan Tonelson van het zelfde instituut vindt het akkoord “teleurstellend”. “We hebben weer eens berust in een serie van lege beloften tot deregulering en niet af te dwingen akkoorden tot de aankoop van in Amerika gemaakte auto-onderdelen.”.

President Clinton had de aankondiging van het akkoord zorgvuldig georkestreerd. Zijn protesten tegen de Japanners zijn onderdeel van zijn herverkiezingscampagne. Hij zou graag de president willen zijn die de Japanse markt heeft opengebroken. De afgelopen week heeft hij zijn ronde gemaakt langs autowerknemers in New Jersey en Oregon. De voor zijn herverkiezing belangrijke autodeelstaat Michigan heeft hij al eerder aangedaan. In de noordwestelijke deelstaten die auto-onderdelen en vliegtuigen verkopen aan Japan kreeg hij minder bijval dan aan de Oostkust.

Zestig procent van het 66 miljard bedragende Amerikaanse handelstekort met Japan bestaat uit auto's en auto-onderdelen. Inmiddels zijn er vijftien deelovereenkomsten gesloten onder andere over medische technologie, bouw en appels. Maar de Clinton-regering is er nog steeds niet uit hoever het militair strategische vraagstukken zal laten meewegen met handelsbelangen. Onderminister van defensie, Joseph Nye, heeft gewaarschuwd dat Amerika Japan niet mag chanteren met de veiligheidsrelatie. Hij vindt dat Amerika een belangrijke stabiliserende rol vervult in het gebied van de Stille Oceaan.

Maar de onderminister van handel, Jeffrey Garten, denkt dat economische spanningen de strategische relatie tussen Amerika kunnen ondergraven. Er zijn 45.000 Amerikanen gestationeerd in Japan en “ze kunnen zich nog niet eens een kom bami veroorloven als ze de basis verlaten”, stellen Chalmers Johnson en E.B. Keehn vast in het huidige nummer van Foreign Affairs. Zij vinden ook dat Amerika handelsconcessies mag terug verlangen voor de militaire aanwezigheid in Azië.

Voorlopig heeft de opvatting van het ministerie van defensie het gewonnen. Een rapport van het ministerie van defensie belooft dat Amerika 100.000 troepen zal handhaven in het Verre Oosten, ongeacht de handelssituatie. Japan betaalt vijf miljard dollar per jaar voor de Amerikaanse defensie. President Clinton vindt dat de relatie met Japan als een kruk is met economische, militaire en politieke poten en aan alle drie moet aandacht worden geschonken. Uiteindelijk kraaide hij gisteren liever bij voorbaat victorie dan dat hij zich in een onvoorspelbare escalatie van sancties zou begeven.