Autodidacten maken opera over autodidact H.N. Werkman; De drukker die kunstenaar werd

Een opera gebaseerd op het leven van drukker-kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman gaat vanavond in Groningen in première.

Ontstaan in grote nood: 29 juni; 1, 2, 4, 6, 8, 9 juli Stadsschouwburg Groningen.

GRONINGEN, 29 JUNI. “De leukste opera dit jaar over de oorlog” stellen ze zich ten doel, de twee Groningers die aan de wieg stonden van de opera die deze week in de Stadsschouwburg Groningen zijn première beleeft. Ontstaan in grote nood heet het werk eigenlijk, maar alle betrokkenen hebben hebben het gewoon over de Werkman-opera, naar het onderwerp: leven en dood van de Groningse drukker-kunstenaar Hendrik Nicolaas Werkman, in 1882 geboren en op 10 april 1945, een paar dagen voor de bevrijding, door de Duitse bezetters doodgeschoten.

“'Ontstaan uit onnozelheid' was misschien ook een aardige titel geweest”, zeggen Jo Willems (librettist, 40) en Gerard Ammerlaan (componist, 42) jolig. Opgewekt zitten ze in de roodpluche stoeltjes van de Stadsschouwburg, die onderdak biedt aan hun ambitie van jaren. Beiden noemen zich nadrukkelijk autodidact op het gebied van libretto en compositie. Maar Ontstaan in grote nood heeft niets amateuristisch, en de bezetting is volledig professioneel: regie Jan Bouws, dirigent Roland Kieft. De Werkman-opera bedoelt, anders dan de Friese opera Rixt eerder dit jaar, ook geen lokale aangelegenheid te zijn. De vergelijking met de Amsterdamse oorlogsopera Esmee, van Theo Loevendie, waarmee het Holland Festival werd geopend, durft men wel aan in Groningen.

Wel heeft Willems zelf een deel van de decors geschilderd, want een budget van zeven ton heeft ook zijn grenzen. “Toen we voor het eerst met regisseur Bouws spraken, gaf hij ons een lijstje mee van wat je allemaal nodig hebt voor een opera - iedereen, de regisseur, de balletmeester, de dirigent heeft ook nog een assistent nodig, dat hadden we ons niet gerealiseerd. Daarom zeg ik: zonder een beetje onnozelheid op dit gebied hadden we het vermoedelijk niet aangedurfd”.

Bij de eerste doorloop met licht, orkest en decor ontrolt zich een aantal, veelal zeer kleurrijke taferelen, die voor de bühne van de schouwburg geschapen lijken. Toch is het eigenlijk nog maar sinds kort, dat de Werkman-opera voor een zaal bestemd is. In de vijfjarige geschiedenis van het projekt hadden Willems en Ammerlaan aanvankelijk aan een lokatie op het platteland gedacht, en later aan een openlucht-podium in het Groningse Noorderplantsoen. Dat laatste plan is gesneuveld op bezwaren van de buurt, die vreesde dat er een permanente concert-faciliteit in de openlucht zou ontstaan.

De gedachte aan de openlucht lag voor de hand bij Willems, van oorsprong slavist, maar in het Groningse eerder bekend als organisator van weinig conformistische manifestaties als de 'Zomerfietsjazztoer'. Toen hij in 1981 in Groningen kwam wonen, verwonderde hem al dat Werkman, in 1939 als avantgardist 'ontdekt' door Willem Sandberg van het Stedelijk Museum in Amsterdam, in zijn eigen stad zo weinig bekend was: “één werkje in het Groninger Museum”. Zo werd hij de drijvende kracht achter de opera, zonder dat hij ook maar in het minst van zins was ooit van zijn leven een opera-libretto te schrijven. “Maar toen ik in 1993 steeds maar met mijn synopsis schermde, zei men: schrijf jij dan ook maar het libretto”.

Willems heeft zich vooral laten inspireren door Werkmans brieven, zijn taal- en beeldkeus daarin: “Vrolijkheid die onnozel wordt, is net zo kwalijk als zwartgallige gedachten”. Hendrik Werkman, leider van een handelsdrukkerij, was in zekere zin evenzeer een autodidact als degenen die nu een opera over hem maken. De gedachte dat hij een kunstenaar was, kwam pas laat in zijn leven bij hem op. Tekenend voor zijn schroom was misschien wel dat hij prenten als de thans befaamde serie Chassidische legenden (gebaseerd op een boek van Martin Buber) als 'druksels' omschreef. Dat waren ze ook, letterlijk genomen: Werkman werkte met sjablonen en grote houten of loden letters waarmee hij ook expressionistisch-dadaïstische teksten drukte.

Terwijl de crisis in de jaren dertig zijn handelsdrukkerij geen goed deed, en in de bezettingsjaren aan bijna alle commerciële bedrijvigheid een einde kwam, kreeg Werkman steeds meer tijd om zich aan de kunst te wijden. Nadat zijn intellectuele horizon zich aanvankelijk voornamelijk had beperkt tot de zwijgzame, stugge medeleden van de Groningse kunstenaarsvereniging De Ploeg, opende een door hemzelf uitgegeven grafisch periodiekje, The Next Call, de weg naar een wijdere wereld en correspondenties met Theo van Doesburg, El Lissitsky en Kurt Schwitters. Pas in de oorlogsjaren zou Werkman in de kring rond het blad De Blauwe Schuit ook in Groningen zelf gelijk gestemde kunstvrienden vinden.

De Blauwe Schuit was geen verzetsperiodiek, maar wel een clandestien uitgegeven blad. Het avantgardistisch karakter ervan was voor de SD in 1945 voldoende aanleiding om Werkman als maker van 'bolsjevistische en entartete kunst' te arresteren en met negen andere gevangenen dood te schieten als represaille voor activiteiten van het verzet.

Jo Willems heeft in het libretto de nadruk gelegd op Werkmans gevoel in de oorlogsjaren, voor het eerst in zijn leven als kunstenaar echt gewaardeerd te worden. Bas-bariton Hubert Claessens geeft de door hem vertolkte Werkman, afgaande op de eerste repetities, dan ook de nodige levenslust mee. De sombere oorlogsachtergrond is meer de opdracht van het koor van drie vrouwen, vrouwen van Werkman wel te verstaan, want de kunstenaar-drukker kende een gecompliceerd persoonlijk gevoelsleven. “Maar ik heb er na veel nadenken van afgezien dat liefdesleven tot een hoofdonderwerp van de opera te maken”, zegt Willems, “omdat het er dan al vlug op zou lijken alsof we een oordeel over de man Werkman zouden willen vellen”.

De Chassidische legenden keren in de opera terug in de vorm van gedanste intermezzi, waarbij componist Gerard Ammerlaan een heuse klezmer-band (voor joodse dansmuziek) op het toneel brengt. Ook elders in de compositie lijkt Ammerlaan, wiens antecendenten vooral in de jazz en andere geïmproviseerde muziek liggen, het effect geenszins te schuwen: het Noord Nederlands Orkest in kleine symfoniebezetting ziet zich versterkt met een Afrikaanse rythme-sectie en tien improviserende musici. “Werkman hield van jazz”, licht Ammerlaan toe, “en kende Duke Ellington, Bessie Smith, Louis Armstrong”.

De onderneming Werkman-opera straalt bij de repetities onmiskenbaar lef en kracht uit, en plezier bij de medewerkenden. “Het is goed dat we tenslotte op de schouwburg zijn uitgekomen”, meent zakelijk leider Geert Lameris. “De opera is scènischer geworden dan hij ooit in de openlucht had kunnen zijn”, meent ook Willems en treurt nauwelijks meer om zijn oorspronkelijke gedachte, de ondergang van Werkmans levenslust in het oorlogsgeweld te laten samenvallen met de zonsondergang.

    • Raymond van den Boogaard