Voor toekomstige werkloze zal er nog maar één adres zijn

Staatssecretaris Linschoten (sociale zaken) bespreekt morgen met de Tweede Kamer een nieuwe opzet voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen: WW, WAO en (nu nog) Ziektewet. Sinds jaar en dag is dit een taak van de achttien bedrijfsverenigingen en hun uitvoeringsorganen, zoals het GAK, de BVG, de Detam, het GUO en het SFB. Dat gaat in 1997 veranderen, mede als gevolg van een parlementaire enquête die in 1992 en 1993 onder leiding van het toenmalige Tweede-Kamerlid F. Buurmeijer (PvdA) is gehouden. Deze enquête leidde tot grote kritiek van de Tweede Kamer op de wijze waarop de bedrijfsverenigingen, samenwerkingsverbanden van vakbonden en werkgeversorganisaties, de sociale verzekeringen uitvoerden.

Het vorige en het huidige kabinet hebben, nadat ze door partijpolitieke tegenstellingen veroorzaakte verdeeldheid hadden overwonnen, verschillende blauwdrukken voor de organisatie van het toekomstige stelsel op tafel gelegd. In het model dat staatssecretaris Linschoten voor ogen staat, worden de bedrijfsverenigingen en hun uitvoeringsorganen uit elkaar getrokken. De besturen van de bedrijfsverenigingen hebben het niet langer voor het zeggen bij de uitvoeringskantoren, maar werken daarmee op contractbasis samen. Deze uitvoeringskantoren moeten in onderlinge concurrentie de contracten voor de uitvoering van de publieke werknemersverzekeringen zien te verwerven, vooralsnog zonder dat de particuliere verzekeraars mogen meeconcurreren. De uitvoeringskantoren moeten op regionaal niveau opereren en samenwerken met de regionale arbeidsbureaus en de gemeentelijke sociale diensten.

De bedrijfsverenigingen zelf worden vervangen door sectorcommissies per bedrijfstak, waarin de sociale partners zitting hebben, aldus de opzet van Linschoten. Zij moeten zich met landelijk beleid bezighouden, bijvoorbeeld met de aanvullingen die in CAO's op de wettelijk verplichte werknemersverzekeringen worden afgesproken (een voorbeeld daarvan is de aanvulling van WAO-uitkeringen via een verzekering van het 'WAO-gat').

Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, Tica, bereidt al deze wijzigingen voor. Het wordt bestuurd door de sociale partners, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter: ex-Kamerlid Buurmeijer. Dit Tica moet na 1997 worden omgebouwd tot een blijvend, landelijk bestuur van soortgelijke samenstelling. Dit overkoepelt de sectorcommissies en verricht op het gebied van de werknemersverzekeringen landelijke taken, zoals het vaststellen van premies.

Boven dit alles blijft het eerder dit jaar opgerichte College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) opereren. Deze organisatie moet controleren of de uitvoeringsorganen de wet goed uitvoeren. Vroeger was dit een taak van de Sociale Verzekeringsraad, die werd gedomineerd door de sociale partners. Dat had tot gevolg dat de werkgevers- en werknemersorganisaties min of meer zichzelf controleerden. Het Ctsv wordt louter bestuurd door drie onafhankelijke Kroonleden, op dit moment onder leiding van de vroegere VVD-voorzitster D. van Leeuwen.

....

Aan het eind van het gesprek schetst Flip Buurmeijer de situatie die hem voor ogen staat voor de werknemer die in, zeg 1998, zijn baan kwijtraakt en werkloos wordt.

“Die werkloze meldt zich dan in een gebouw waar in elk geval niet tegen hem wordt gezegd: u bent aan het verkeerde adres, u moet bij een andere instantie zijn. De afstand van zijn woning tot dat kantoor zal niet te groot zijn. De werkloze zal vragen: hoe kom ik aan inkomen en hoe kom ik weer aan de slag. Al bij het eerste of het eerstvolgende gesprek moet er een hoogwaardig gekwalificeerde intaker aanwezig zijn. De werkloze krijgt een uitkering, maar er wordt ook meteen met hem gepraat over zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt, welke scholing hij eventueel moet volgen.”

“Die intaker werkt zoals in de gezondheidszorg een huisarts: hij zorgt voor de eerste zekerheid, dus een uitkering. Maar hij kijkt ook wat er verder moet gebeuren en wie er eventueel verder moet worden ingeschakeld. Het kan zijn dat de werkloze twee jaar later nog steeds naar datzelfde kantoor moet, eenvoudig omdat er te weinig banen zijn. Maar als het in 2000 niet gelukt is om hem aan een baan te helpen, moet de persoon in kwestie niet kunnen zeggen: die instanties hebben langs elkaar heen gewerkt. Of: ik weet helemaal niet wat ze met me hebben gedaan.”

Als voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie die in 1993 een rapport met aanbevelingen uitbracht over de uitvoering van de werknemersverzekeringen (Ziektewet, WAO en WW) wist Buurmeijer als geen ander wat er daarmee mis was. De uitvoeringsorganen hadden veel aandacht voor het tijdig en correct verstrekken van uitkeringen. Aan werkgelegenheid, aan de preventie van werkloosheid, aan het functioneren van de arbeidsmarkt schonken ze geen tijd. Dat was ook eigenlijk hun taak niet. Bedrijfsverenigingen, arbeidsbureaus, sociale diensten, ze werkten meestal maar wat langs elkaar heen.

Sindsdien is er veel in beweging in het wereldje van de sociale verzekeringen. Particuliere verzekeraars zitten op het vinkentouw, bedrijfsverenigingen worden losgekoppeld van hun uitvoeringsorganen en deze organen (GAK, BVG, SFB enz.) mogen worden ondergebracht in holdings die ook commerciële activiteiten ontplooien. En vooral geldt: de uitvoering van de werknemersverzekeringen dient regionaal te gebeuren. Dat is de keuze die de politiek nog onder het vorige kabinet heeft gemaakt; de verwezenlijking daarvan is de gecompliceerde taak van de huidige staatssecretaris van sociale zaken, de VVD'er Linschoten.

Deze liberaal benoemde de sociaal-democraat Buurmeijer tot zijn belangrijkste, externe adviseur: hij werd voorzitter van het Tijdelijk Instituut voor Coördinatie en Afstemming (Tica) dat sinds dit jaar opereert en vanuit Amsterdam en Zoetermeer probeert de drastische reorganisaties bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen te begeleiden.

“Het is niet gering wat er moet gebeuren”, constateert Buurmeijer in zijn kantoor in Amsterdam-Zuid. “Ik ga er niet onder gebukt, het is buitengewoon uitdagend. Maar ik doe er zeker niet lichtvoetig over. Het is niet zonder risico's.”

Nee, al was het maar omdat de werkgeversorganisaties en de vakcentrales hebben gedreigd om niet mee te doen. Wat blijft er dan nog van de plannen over?

“Ik zou dat zeer betreuren. Ik verwacht ook niet dat ze eruit stappen, omdat het niet in het belang van de sociale partners zelf is. Je ziet bij de sociale verzekeringen steeds meer een drietrapsraket ontstaan: wettelijke verzekeringen, daarboven collectieve verzekeringen via bedrijven en tot slot individuele verzekeringen. Of je dat nu mini-stelsel moet noemen, kan mij niet schelen maar het is wel de trend. Juist bij zo'n stelsel moet je de sociale partners erbij houden, al was het maar om te voorkomen dat je een dubbele uitvoering van de verzekeringen krijgt: naast een instituut voor de wettelijke nog eens een instituut voor de collectieve.”

Het is een kwestie van macht: de sociale partners willen meer zeggenschap over de sociale verzekeringen.

“Ze willen wat te vertellen hebben. Het zal er dus sterk van afhangen wat de rol van de sectorcommissies wordt. Ik hoop dat de wetgever hun reële bevoegdheden geeft en dat ze bijvoorbeeld bij de premiedifferentiatie in de WAO de eerste verantwoordelijkheid dragen. Zij moeten ook het voortouw krijgen bij het afsluiten van de contracten met de uitvoeringsorganen. De staatssecretaris wil dat het landelijke orgaan de beslissing over de contracten neemt. Ik vind dat de sectorcommissies hun eisen moeten formuleren en de contractpartners zoeken. Het Tica of het nieuwe instituut kijkt daarna nog of alles juridisch in orde is. Dat moet faciliterend te werk gaan, meer niet.

“Die uitvoeringsorganen moeten ook bovenwettelijke of buitenwettelijke afspraken, bijvoorbeeld de aanvullende verzekeringen die in CAO's worden afgesproken, kunnen verzorgen, zolang ze apart worden gefinancierd. Dus ook daarmee hebben de sociale partners er belang bij bij de organisatie van het stelsel betrokken te blijven.”

Je kunt nog een stap verder gaan: laat hen ook de premies voor de werknemersverzekeringen vaststellen.

“Bij een goeie verdeling van verantwoordelijkheden hoort dat er ook bij. De vervuiler betaalt, over dat adagium in de sociale zekerheid is iedereen het eens. Dus: premiedifferentiatie, hoge WAO-premies in bedrijfstakken met veel arbeidsongeschikten. Dan moet je de sociale partners ook bij het vaststellen van de premies serieus nemen. De minister of de Kamer moet die premies dan weer niet om inkomenspolitieke redenen gaan veranderen. Ik behoorde tot de minderheid in de PvdA die dat twee jaar geleden ook al vond.”

En heeft u inmiddels uw partijgenoten overtuigd?

“Ik heb enige vrees dat ze de neiging om toch weer aan die premies te gaan morrelen niet zullen kunnen onderdrukken.”

Waarom hecht u zo aan de samenwerking met sociale partners? Hun bolwerken, de bedrijfsverenigingen, hebben voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen 'een toegevoegde waarde die gering is', om het in de nette bewoordingen van uw enquêtecommissie te formuleren. Door de instelling van de sectorcommissies verdwijnen de bedrijfsverenigingen feitelijk niet.

“Die meerwaarde die er niet was, moet er juist komen. Als de sectorcommissies alleen maar overlegorganen worden die besluiten van het landelijk bestuur een maand ophouden, heeft het inderdaad geen zin. Ik zou zeer teleurgesteld zijn als over een paar jaar blijkt dat de sectorcommissies bijna identiek blijken te opereren als de bedrijfsverenigingen. Maar juist omdat er op regionaal niveau met de arbeidsbureaus moet worden samengewerkt, verwacht ik dat niet. Als je de verbinding tussen sociale zekerheid en arbeidsmarkt wil leggen, heb je de sociale partners nodig, want daar ligt hun meerwaarde.”

Straks zijn er landelijke sectorcommissies, een landelijk bestuur, regionale uitvoeringsorganisaties en daarboven nog eens een landelijk toezichtorgaan. Dat klinkt omslachtig en riekt bureaucratisch.

“Wij als Tica hebben nu de centrale coördinatie van een aantal organisaties overgenomen en dat vind ik winst. Als al die sectorcommissies tot bureaucratie gaan leiden, is er iets mis. Er is bij het regeerakkoord overeengekomen dat de sociale partners bij het stelsel betrokken blijven. Maar ze hebben geen invloed meer op de behandeling van individuele gevallen. Dat hebben we van het verleden geleerd, dat mag niet meer. Individuele gevalsbehandeling gebeurt straks in de regio's. Op hun eigen niveau gaan de sectorcommissies beleid maken, de verbinding leggen met arbeidsvoorziening bijvoorbeeld en als werkgevers en werknemers aanvullende regelingen afspreken. Daar ligt hun waarde.”

Maar het blijft gecompliceerd. Je hebt straks landelijke besturen voor de sociale verzekeringen met regionale uitvoeringskantoren zonder regionale besturen, die moeten samenwerken met arbeidsbureaus die juist wel regionaal worden bestuurd.

“Dit is zeker geen eindfase. Meer nog dan tijdens de parlementaire enquête ben ik ervan overtuigd geraakt dat zo'n proces van samenwerking en verandering van onderen tot stand moet komen. Als er maar in het begin één intakegesprek is met een werkloze, één loket. Daar ben ik absoluut voorstander van. Verder zien we wel. Ik sluit helemaal niet uit dat in de praktijk vanzelf de behoefte ontstaat aan een regionaal bestuur voor zowel de sociale verzekeringen als voor arbeidsvoorziening. En dat de gemeentelijke sociale diensten hun werk voor een deel uitbesteden aan de regionale uitvoeringskantoren. Laat dat maar van onderaf beginnen. Het zijn niet mijn woorden, maar ze spreken me wel aan: je moet geen kathedralen op papier bouwen.”