Rwanda-tribunaal moet 'wraak in goede banen leiden'

DEN HAAG, 28 JUNI. Is de dag der wrake voor het Rwandese onrecht aangebroken? Bij de eerste openbare zitting van het Rwanda-tribunaal, gisteren in Den Haag, was de stemming opgetogen. “De oprichting van dit tribunaal is een sterk signaal dat genocide en andere misdaden tegen de menselijkheid niet langer kunnen worden getolereerd”, aldus Hans Corell, ondersecretaris-generaal voor juridische zaken van de Verenigde Naties.

De Nederlandse minister van justitie, Winnie Sorgdrager, wees op de louterende werking van het tribunaal: “Het kan helpen om gevoelens van wraak in goede banen te leiden en zal ertoe bijdragen anderen van schendingen van de mensenrechten te weerhouden.” In Rwanda was in het recente verleden bittere kritiek op de trage voorbereiding van de berechting van de organisatoren van de slachtpartij, maar zelfs de minister van justitie van Rwanda gaf nu blijk van optimisme. “Zonder tribunaal kan er in Rwanda geen sprake zijn van verzoening”, aldus Alphonse Nkubito.

Of het tribunaal die katharsis zal opwekken, is vooralsnog zeer de vraag. Zo is de jurisdictie van het tribunaal beperkt tot de periode tussen 1 januari en 31 december 1994. Volgens Rwanda-kenners is dat te kort omdat de voorbereidingen voor de slachtpartij al eerder begonnen. Ook de einddatum ondervindt veel kritiek. Volgens mensenrechtenorganisaties als Amnesty International hebben voormalige Tutsi-rebellen na de overwinning van vorig jaar wraak genomen op Hutu's. Slachtpartijen van na 31 december 1994 kunnen echter niet aan het tribunaal worden voorgelegd. Nkubito verdedigde gisteren deze begrenzing door er op te wijzen dat het tribunaal tot taak heeft om “daden van genocide” te onderzoeken. “In theorie kun je niet uitsluiten dat leden van de huidige Rwandese regering zulke daden hebben verricht maar in de praktijk is daar het bewijs nog niet van geleverd.”

De Veiligheidsraad van de VN heeft het mandaat van het Rwanda-tribunaal willen enten op dat van het eerder opgerichte Joegoslavië-tribunaal. Een gevolg daarvan is dat het Rwanda-tribunaal de doodstraf niet kan uitspreken. Pogingen van het huidige bewind in Kigali om via de Veiligheidsraad de doodstraf in het mandaat op te nemen, leden schipbreuk. Omdat in Rwanda zelf de doodstraf wel kan worden uitgesproken, leidt dat tot de paradoxale situatie dat de 'breinen' achter de genocide misschien een lichtere straf krijgen dan hun handlangers. “Dat is een vorm van rechtsongelijkheid die niet valt te vermijden”, aldus Lars van Troost, die namens Amnesty International het tribunaal volgt. “Als het Rwanda-tribunaal wel de doodstraf had kunnen uitspreken, zou er sprake zijn geweest van rechtsongelijkheid met het Joegoslavië-tribunaal.”

Pijnlijker is nog wellicht dat de organisatoren van de slachtpartij op voorhand kunnen rekenen op een eerlijker en zorgvuldiger berechting dan hun handlangers. Mede door de verwoestingen van de oorlog is er nauwelijks meer sprake van een juridische infrastructuur in Rwanda. Zo moest Nkubito gisteren het antwoord schuldig blijven op de vraag hoeveel gevangenen er dagelijks in zijn land in vrijheid worden gesteld. Vele delen van het land zijn moeilijk te bereiken omdat de telefoon niet meer werkt, aldus de minister.

Problemen zijn er ook wat betreft de uitlevering van verdachten aan het tribunaal. Het functioneert op basis van hoofdstuk zeven van het Handvest van de Verenigde Naties. Dat betekent dat landen verplicht zijn om verdachten uit te leveren. Of ze dat zullen doen is echter zeer de vraag. De geheel uit Hutu-extremisten bestaande Rwandese interim-regering kreeg lange tijd de warme steun van Frankrijk en een aantal francofone landen in Afrika. Kopstukken van het voormalige bewind zijn vooral naar Zaïre gevlucht, waar ze in de vluchtelingenkampen bij Bukavu en Goma plannen smeden om het huidige bewind in Kigali omver te werpen. Rapporten van Amnesty en Human Rights Watch toonden onlangs aan dat de Zaïrese regering op zijn minst een oogje dichtknijpt ten opzichte van de activiteiten van deze Hutu-extremisten.

Gisteren werd ook niet duidelijk hoe snel het tribunaal met de eerste resultaten zal komen. Het zal na de eerste sessie in Den Haag zijn werk voortzetten in de Tanzaniaanse stad Arusha. Het gebouw in die stad waar het tribunaal zijn werk gaat verrichten, is echter nog niet klaar, aldus Corell, die zei te “hopen” dat de eerste zaak dit jaar van start zal kunnen gaan. De ondersecretaris-generaal zei te begrijpen dat de trage rechtsgang tot frustratie leidt, “maar het is een gecompliceerde zaak om een internationaal rechtssysteem op te zetten”.

Of de Rwandese bevolking begrip voor deze subtiliteiten van het volkenrecht heeft is overigens zeer de vraag. Veel Rwandezen denken nog met afschuw terug aan het besluit van de Verenigde Naties, direct na het begin van de slachtpartijen, om een groot aantal VN-soldaten uit het land terug te trekken. “Boutros-Ghali sliep terwijl miljoenen om het leven kwamen”, scandeerden betogers eerder dit jaar in Kigali.

Volgens Van Troost zou niet alleen het Rwanda-tribunaal zich met de genocide moeten bezighouden. “Sommige misdaden zouden onder een universele jurisdictie moeten vallen waar en door wie ze ook zijn begaan. Dat betekent dat Rwandezen die betrokken waren bij de slachtpartijen van vorig jaar, ook in andere landen berecht kunnen worden voor wat ze in hun eigen land hebben misdaan.” In Canada, Zwitserland en België lopen overigens al zaken tegen Rwandezen.

Gisteren gingen in Den Haag opnieuw stemmen op om een permanent tribunaal voor de schending van de mensenrechten op te richten. Een aantal landen, waaronder Nederland, is al jaren voorstander van zo'n permanent tribunaal. Binnen de Verenigde Naties wordt er, na het einde van de Koude Oorlog, met hernieuwde belangstelling over een dergelijk permanent hof gepraat. Het zal echter nog wel enige tijd duren voordat een verdragtekst hierover kan worden ondertekend.

    • Bernard Bouwman