Openbaar ministerie staat aan vooravond van grootscheepse reorganisatie; 'Het wordt hoog tijd voor eenheid'

Het openbaar ministerie staat voor een grootscheepse reorganisatie. De versnipperde arrondissementen moeten worden omgevormd tot een organisatie. Vandaag spreekt de Tweede Kamer over het plan.

DEN HAAG, 28 JUNI. Een werktuig van de Haagse politiek, een welig tierende bureaucratie, een parlement dat zich met een rechtszaak bemoeit, een minister van justitie die een requisitoir voorschrijft. Sommige officieren van justitie gruwen bij de gedachte aan een openbaar ministerie dat wordt geleid door een landelijk 'parket-generaal', gevestigd op een steenworp van het departement van justitie - en de Tweede Kamer.

Buiten het openbaar ministerie zijn positiever geluiden te horen over de plannen. Het OM moet nodig op de schop, is een veelgehoord oordeel. Maar als de reorganisatie in 1998 is voltooid zullen officieren van justitie, advocaten-generaal en het leidinggevend college van procureurs-generaal stevig in hun schoenen moeten staan. Dat waarschuwt G.J.M. Corstens, hoogleraar straf- en procesrecht.

Het plan voor de reorganisatie van het OM dat minister Sorgdrager vorige maand presenteerde moet van het over negentien arrondissementen en vijf ressorts uitgesmeerde apparaat één organisatie maken, waarin één consistent, herkenbaar beleid word gevoerd. Die eenheid, zo predikt Sorgdrager, kan alleen worden bereikt als het OM centraal wordt geleid door een landelijk college van PG's. Het staat officieren van justitie niet meer vrij om hun eigen lijn te trekken, volgens Sorgdrager “een eigen beleidje” te voeren onafhankelijk van wat het centrale college heeft voorgeschreven. De minister van justitie bepaalt zelf de taakuitoefening van het OM.

“Het OM heeft de reorganisatie over zichzelf afgeroepen”, zegt Corstens, die binnenkort naar de Hoge Raad vertrekt. De laatste jaren is volgens hem gebleken dat de PG's zich te veel verdeeld hebben opgesteld en daardoor te weinig invloed konden uitoefenen op het werk van het OM. Er traden bovendien nogal eens tegenstellingen aan het licht binnen de vergadering van PG's. Bijvoorbeeld toen procureur-generaal Steenhuis in Leeuwarden, eerder dit jaar in het openbaar zei dat het gebruik van alcohol ook positieve effecten kan hebben op het rijgedrag van een automobilist. “Het OM heeft jarenlang gepoogd de norm 'gij zult niet onder invloed rijden' erin te hameren”, zegt Corstens. “Steenhuis hield misschien een genuanceerd verhaal, maar ontkrachtte die boodschap wel.”

“Meer eenheid bij het OM was hard nodig”, zegt H. van Breda, president van de rechtbank in Middelburg. “Het plan van Sorgdrager moet het eilandelijke beleid van het OM terugdringen. Een college van vijf man moet erop toezien dat zich men aan de afspraken houdt. Ik vind dat een normale ontwikkeling, net zo goed als dat de Kamer en de regering zich druk maken over het reilen en zeilen van het OM. Er wordt veel geld aan uitgegeven en het gaat om gevoelige materie die iedereen in de samenleving treft.”

Het OM wordt volgens Van Breda steeds meer omgevormd tot een relatief zelfstandige “buitendienst” van het departement van justitie. De rechtbankpresident mag dat een gewenste ontwikkeling vinden, binnen het openbaar ministerie bestaan juist daarover grote vraagtekens. “Het primaat komt veel te veel bij de politiek te liggen”, zei onlangs een advocaat-generaal. Ook Corstens waarschuwt hiervoor. “Tot nu toe stond het OM op zekere afstand van de politiek. Het gevaar bestaat dat de politiek straks zo onverstandig is via de minister te laten weten welk requisitoir er moet komen bij een strafzaak.”

Ofschoon Van Breda zo'n 'politisering' van het OM niet uitsluit, ziet hij dat niet leiden tot een verlies van het individuele belang. “Zolang de zittende magistratuur als absoluut onafhankelijke club overeind blijft is er niet zo veel op tegen om het OM wat meer te manoeuvreren in de richting van de overheid”, zegt hij. Corstens noemt echter het voorbeeld van de recente discussies over euthanasie en hulp bij zelfdoding, waarbij het Nederlandse beleid in het buitenland onder vuur kwam te liggen. “Een overheidsfunctionaris denkt vooral aan het algemene bestuursbelang. Het kan best zijn dat de Kamer onder invloed van de publiciteit in het buitenland zegt: het moet anders. Dat kan uiteindelijk culmineren in één concrete strafzaak. Dan wordt iemand het slachtoffer van de politieke wind. De minister zal wellicht de neiging hebben onder druk van de Kamer het bestuursbelang te veel te laten prevaleren, maar de officier moet ruimte houden om recht te doen aan het individuele geval. Het OM zal tegenwicht moeten bieden.”

Van Breda vindt dat OM met een gerust hart wat meer afstand kan nemen van de rechterlijke macht. “Het OM schurkt altijd dicht tegen de rechter aan en voelt zich een deel van de zittende magistratuur. Ik denk daar iets anders over. Het OM is veel meer dan de rechterlijke macht een buitendienst van het ministerie van justitie. Wat meer sturing van het departement is beslist niet uit den boze, eerder gewenst. Het is beslist niet de bedoeling van deze minister te vertellen wat er bij het OM allemaal moet gebeuren. De wettelijke opzet van het OM, de taken en bevoegdheden, staan daar al garant voor. De rechter zal wel meer moeten toetsen en een actievere rol krijgen in de procesgang. De achteroverleunende rechter die alles maar aanneemt is op zijn retour. De rechter zit nu voorover, hoort iedereen uit en probeert achter de oorzaken van het conflict te komen. De nieuwe opzet vereist een bijzonder grote onafhankelijkheid van de rechter-commissaris en de rechter.”

Van Breda vindt verder dat de eenvormigheid die nu inzet is bij de reorganisatie van het OM, een voorbeeld kan zijn voor de rechterlijke macht. “De rechtspraak is vaak buitengewoon versplinterd. De eenvormigheid is ver te zoeken zonder dat dat goed is uit te leggen. Dat uit zich niet alleen in de straftoemeting. Bij bulkzaken, zoals lichte overtredingen of dronken rijden moet je zoveel mogelijk eenvormigheid krijgen. Het moet geen bal uitmaken of je wordt gestraft voor een misdrijf in Limburg of in Amsterdam. Eisen en uitspraken moeten enigszins voorspelbaar worden, al moet er ruimte zijn voor verschillen in individuele zaken. Men gaat in Nederland steeds strenger straffen. Dan vraag je je af: waarom eigenlijk? Wat is nou ons richtsnoer? De strafeisen van het openbaar ministerie worden deels door richtlijnen beïnvloed, maar deels helemaal niet. Dat brengt grote ongewisheid, bij het publiek, maar ook bij rechters.”

    • Rob Schoof