Mediawet leidt tot regionale concurrentie

De notitie Liberalisering Mediawet maakt uitbreiding van het medialandschap met vele hectares mogelijk. Deze week zond staatssecretaris Nuis (media) zijn plannen naar de Tweede Kamer.

DEN HAAG, 28 JUNI. De commerciële omroep krijgt meer ruimte op radio en tv, zowel in de ether als op de kabel. Die liberalisering blijft niet beperkt tot de expansie van het commerciële omroepbedrijf. Het toestaan van grotere vrijheden aan het particuliere ondernemerschap gaat gepaard met een flexible response van de overheid. Als beschermheer van de publieke omroep wil het kabinet, met Nuis voorop, tot in elke uithoek van het land een krachtig antwoord op de commerciële ontwikkelingen. Protectie van de nationale publieke omroep is niet genoeg, ook publieke regionale omroepen moeten worden beschermd.

Landelijk wordt de strijd tussen publieke omroep en de commercie al langer gevoerd, maar nu op 1 januari 1996 het verbod op commerciële regionale- en lokale omroep wordt opgeheven, zal de concurrentiestrijd binnenkort ook in de regio ontbranden. Vanuit de tactische overweging dat de aanval de beste verdediging is, legt de staatssecretaris in zijn notitie de basis voor een 'gezonde' concurrentie door de publieke omroep. De kijker/luisteraar betaalt daar in de vorm van een hogere omroepbijdrage aan mee, los van de vraag of hij gecharmeerd is van nog meer radio- en televisiezenders. Dit alles vanuit de opvoedende gedachte dat de omroepconsument de beschikking moet hebben over een zeer gevarieerd programma-aanbod, dat verdergaat dan spelletjes en soap.

Nuis heeft privatisering en liberalisering hoog in het vaandel, maar dat mag er volgens hem niet toe leiden dat de kijker straks voor dezelfde zenders die hij nu voor een maandelijks gering bedrag in de huiskamer heeft, een exorbitant bedrag moet betalen aan de kabelexploitant. Reden waarom hij de exploitanten verplicht stelt tegen een lage prijs een basispakket aan te bieden met daarin behalve de drie Nederlandse publieke netten ook de publieke zenders uit de ons omringende landen, zoals BBC en BRT.

In een poging de publieke en commerciële omroep in de regio straks in evenwicht te houden, geeft Nuis de provincies er een taak bij. Tenminste, als zij meer geld willen voor regionale publieke radio en tv. En welke provincie wil dat niet. De provinciebestuurders moeten met gemeenten en lokale en regionale omroepen in de slag om een 'provinciaal omroepplan' op te stellen. Voor de provincies wordt dit plan een vrijbrief om de provinciale opcenten te verhogen. Dat is het deel van de omroepbijdrage waaruit de provincies de regionale omroepen betalen. Met uitzondering van Zuid-Holland (ƒ 8,50) bedraagt deze heffing tien gulden per jaar.

De hoogte van de heffing is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid van een provincie, zegt B. Groenendijk, directeur van de overkoepelende organisatie van de dertien regionale omroepen, ROOS. “In een provincie met veel inwoners zal een verhoging van vijf gulden voldoende zijn, in een minder dichtbevolkte provincie vijftien gulden.”. Maar wellicht gaat iedereen straks hetzelfde bedrag aan provinciale opcenten betalen, verwacht Groenendijk. Dat kan dank zij een contract dat de regionale omroepen binnenkort met de NOS sluiten over regionale programma's die op Nederland 1 en 2 zullen worden vertoond. Volgend jaar wordt een begin gemaakt met deze 'regionale vensterprogrammering'. Het is de bedoeling dat op den duur in alle provincies tussen zes en zeven uur 's avonds de eigen regionale tv-omroep inbreekt in de programmering van de landelijke publieke zenders, zoals in Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië. Dit zou voldoende geld moeten opleveren om de provinciale opcenten in het hele land te verevenen.

Groenendijk signaleert in de notitie van Nuis discriminatie ten opzichte van de regionale commerciële omroep, die vanaf volgend jaar is toegestaan. Om publieke regionale televisie mogelijk te maken, zou de provinciale heffing voor regionale omroep ook volgend jaar al omhoog moeten, vindt hij, omdat dat nu op zijn vroegst in 1997 gebeurt.

Binnen het publieke bestel dreigt een nieuw soort concurrentie te ontstaan, namelijk tussen de regionale radio enerzijds en de ontluikende regionale tv aan de andere kant. Volgens Groenendijk zal het zo'n vaart niet lopen. “De tv-ambities van de regionale omroepen concentreren zich op een journalistiek programma in de vooravond, terwijl de radio overdag de meeste luisteraars trekt. Die zitten elkaar dus voorlopig niet in de weg.”

Toch hebben regionale radiostations - nu al gevreesde concurrenten van de landelijke zenders - bij gebrek aan publieke tv en commerciële radio in de regio veelal een monopoliepositie. Dat gaat dus drastisch veranderen. Het woud van tv-antennes op de Nederlandse daken mag dan verdwenen zijn, er komt een jungle van radio- en tv-zenders voor in de plaats. Technische belemmeringen voor kwantitatief maximaal televisiegenot lijken er niet meer te zijn. De kijker heeft al gauw de keus uit 25, binnenkort misschien wel uit vijftig, kanalen.

De plannen van het kabinet, in grote lijnen aangekondigd in het regeerakkoord van 1994, zijn vooral mogelijk doordat het CDA niet langer een stempel kan drukken op het omroepbeleid. Decennialang hielden de christen-democraten stevig de handrem op met name de uitbreiding van commerciële tv. Lijnrecht tegenover de opvattingen van het CDA stonden en staan nog steeds de liberalen. VVD'er Dees, die onlangs het lidmaatschap van de Tweede Kamer voor dat van de Senaat verruilde, hield in het parlement steevast het pleidooi dat de ether zo vrij moet zijn als krantenpapier. De stap die het kabinet met de media-notitie heeft gezet is een forse stap in die richting.