Kunstenbonden: regeling schiet te kort; Plan voor wet inkomen kunstenaars naar Kamer

DEN HAAG, 28 JUNI. Kunstenaars die genoegen nemen met 60 procent van een bijstandsuitkering, zijn vier jaar lang vrijgesteld van sollicitatieplicht. Ze kunnen in die tijd proberen een 'renderende beroepspraktijk' op te bouwen. Ze mogen hun gekorte uitkering aanvullen met bijverdiensten tot 100 procent van het bijstandsniveau.

Deze plannen voor een Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars (WIK) beschrijft minister Melkert van sociale zaken in een brief die hij gistermiddag naar de Tweede Kamer stuurde. Melkert streeft er naar de WIK in te laten gaan op 1 januari 1997. De Kamer zal de plannen pas na het zomerreces bespreken.

De gezamenlijke kunstenaarsorganisaties vinden de plannen voor de WIK te mager, hebben ze in een gemeenschappelijke reactie laten weten. Zij vinden dat kunstenaars meer bij moeten kunnen verdienen (tot minimumloon-niveau) en langer van de regeling gebruik moeten kunnen maken. “Er zullen vrijwel geen kunstenaars zijn die van deze magere regeling gebruik maken”, aldus Roel Mulder van het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars. “De prikkel om bij te verdienen is te klein. De maatregel zoals die nu voorgesteld wordt, lost de problemen voor kunstenaars in de bijstand niet op, hoewel dat wel de bedoeling van de minister is. Wij hopen als gezamenlijke kunstenaarsorganisaties de Tweede Kamer er van te overtuigen dat de inzet, een wettelijke regeling goed is, maar dat er meer ruimte geboden moet worden om zelf te verdienen. Hoe kan een kunstenaar die niet eens minimumloon mag verdienen, een renderende beroepspraktijk opbouwen?”

De voorstellen voor de WIK zijn een gevolg van de aangescherpte bijstandsregels, die het voor kunstenaars onmogelijk maakt te werken met behoud van uitkering. Kunstenaars die binnen een half jaar niet in staat zijn hun brood te verdienen, moeten ander werk zoeken. Door die aanscherping, die vorig jaar van kracht werd, komen naar schatting tienduizenden kunstenaars, dansers, musici, toneelspelers, schilders en anderen in de problemen, aldus de gezamenlijke kunstenaarsorganisaties. De kunstmarkt in Nederland is te klein volgens hen om kunstenaars zonder steun van de bijstand of een andere regeling kunst te laten maken. Zij vrezen dat het culturele leven in Nederland aanmerkelijk zal verschralen bij strenge uitvoering van de bijstandregels.

Hun protesten hebben ertoe geleid dat in het regeerakkoord van dit kabinet een regel werd opgenomen, waarin toegezegd werd voor dit probleem een oplossing te zoeken. Deze brief over de WIK, die Melkert samen met staatssecretaris Nuis van Cultuur heeft ontwikkeld, is de eerste uitwerking daarvan. Ze zijn daarbij uitgegaan van een plan voor een 'basisfonds' dat afkomstig was van de kunstenaarsorganisaties zelf, die voorstelden: minder uitkering in ruil voor de mogelijkheid zelf meer bij te verdienen. De organisaties gingen uit van 75 procent van de bijstand als uitkering, en de mogelijkheid bij te verdienen tot minimumloonniveau. Melkert biedt minder, ondermeer omdat hij geen uitzonderingspositie wil voor kunstenaars: hij wil niet dat ze meer bijverdienen dan tot bijstandsniveau, omdat ze dan niet gelijk behandeld zouden worden als andere bijstandsgerechtigden. Hij stelt voor dat de gemeenten (via de sociale diensten) de WIK uitvoeren. Alleen professionele kunstenaars komen voor de regeling in aanmerking. Bij het afnemen van een professionaliteitstoets worden de gemeenten geadviseerd door het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars, dat al een dergelijke toets ontwikkeld heeft. Het eerste jaar mogen kunstenaars die nu in de bijstand zitten toetreden tot de regeling, die vier jaren duurt. Wie binnen die vier jaar al voldoende verdient, treedt uit de regeling, maar houdt recht op zijn de resterende 'WIK-tijd': het is dus een soort kunstinkomen-strippenkaart met vier jaren, die tien jaar lang geldig is. Op de bijverdiensten tot bijstandsniveau wordt een vastgesteld beroepskostenbedrag in mindering gebracht. Melkert wil samen met Nuis aanvullend beleid ontwikkelen om er voor te zorgen dat kunstenaars zo snel mogelijk in hun levensonderhoud kunnen voorzien, door middel van onder meer praktische begeleidings- en scholingsmogelijkheden, banenpools in de culturele sector en regulering van de capaciteit van het kunstvakonderwijs.

    • Paul Steenhuis