Koppigheid

'Stubborn' is het favoriete woord van onze kinderoppas, wanneer ze de andere kinderen beschrijft voor wie ze zorgt en 'stubborn' zijn ook de oude mensen in het tehuis, waar ze af en toe 's nachts en in de weekeinden werkt. Zonder geduld breng je het niet ver met koppige klanten en geduld heeft ze in onpeilbare voorraden. Maar als ik haar vraag of ze niet liever een vaste baan in het bejaardenwerk wil in plaats van die stoet van per definitie tijdelijke kinderoppasbaantjes, zegt ze van nee: oude mensen zijn veel koppiger dan kleine kinderen, bovendien zijn ze zwaar en sommige oude mannen zijn handtastelijk.

Koppige peuters worden gezeglijke kleuters, maar wat is het vooruitzicht van een koppig oud mens? Nog meer koppigheid vanzelf, want er is geen weg meer terug. Dit lijkt zo'n onafwendbare gang van zaken, dat je wel van zeer goeden huize moet komen om een positieve draai aan ouderdom te geven. Middelbare leeftijd en in het kielzog daarvan ouderdom is het onderwerp waar de babyboom-generatie, sinds jaar en dag kampioen van de adolescentie, nu met de neus bovenop wordt gedrukt. Voor zover zij zelf nog niet beseffen dat hun jonge jaren voorbij zijn, wordt hun dit wel duidelijk gemaakt in de boekwinkel, waar de afdeling softe non-fictie gedomineerd wordt door boeken over verantwoordelijk ouderschap (vooral dat van vaders), de overgang (wel of geen oestrogeen-medicatie, dat is de vraag), seks in langdurige relaties (hoe het pittig te houden) en veel over oud worden in het algemeen.

Het is verbazend hoe opgewekt de toon is in deze laatste categorie. Betty Friedan schreef al eerder gepassioneerd over 'de fonteinen van de ouderdom', nu is het Gail Sheehy die in New Passages als reisleider optreedt voor een enigszins bevangen publiek dat binnenkort het onbekende land Senioria zal betreden (alleen enkele reizen beschikbaar). Ik heb het boek niet gelezen (het is 500 pagina's lang met veel interviews), maar dit soort boeken heb je eigenlijk al uit, wanneer je de inhoudsopgave doorgenomen hebt en hier en daar een alineaatje. Gail Sheehy noemt de jaren tussen 45 en 65 'the Age of Mastery' en die tussen 65 en 85 'the Age of Integrity'. Dit klinkt al heel aanlokkelijk, maar ze brengt nog subtielere onderscheiden aan: na de periode van volwassenheid volgen de 'serene sixties', de 'sage seventies', de 'uninhibited eighties', dan de 'nobility of the nineties' en wie weet zelfs de 'celebratory centenarians'.

Het gaat alweer over groei en persoonlijke ontplooiing. Hoe is het mogelijk dat aftakeling niet in het scenario voorkomt, terwijl het daar bijna altijd op uitdraait? In de pop-psychologie geldt als ongeschreven wet dat elke verandering uiteindelijk een verbetering is. Echtscheiding, financiële tegenslag, ziekte, de dood van geliefden, alles valt geestelijk te herkauwen tot een leermoment dat tot beter inzicht over jezelf en de wereld leidt. Ook ouderdom staat niet voor ineenschrompeling en afsterven, maar voor groei en nieuwe vergezichten. Mij schiet dan altijd een uitspraak van de cynische Amerikaanse filosoof James Hillman te binnen: 'After a certain age you do not grow - if you do anyway, it's cancer.'

Op een gegeven ogenblik wordt het moeilijk om iets nieuws te leren en die tijd komt eerder dan de meeste mensen denken. Ik ken twee vrouwen van rond de veertig die serieus geprobeerd hebben piano te leren spelen. Het lukte niet. Hun dagelijkse routine verdroeg de inbreuk van oefenen niet. De rigiditeit had al ingezet. Alles wat kinderen tot twaalf jaar moeiteloos onder de knie krijgen (vreemde talen, instrumenten bespelen, teksten memoriseren) kost meer inspanning, naarmate je ouder wordt. Daarom is het ook zo bewonderenswaardig als een vijftigjarige erin slaagt om bijvoorbeeld Russisch te leren. Maar zulke gevallen van persoonlijke horizonverbreding zijn uitzonderlijk, de meeste mensen zijn al blij als ze zich kunnen vastklampen aan wat ze beheersen.

Oude mensen verliezen aan flexibiliteit. Van buiten af kun je dat jammer vinden (verlies van potentieel!) of het zelfs ontkennen, maar het is wel een zelfbeschermingsmechanisme. Koppige, een beetje narrige, oude mensen staan sterker en hebben misschien ook nog wel meer plezier in het leven dan degenen die angstvallig de fictie van de groei najagen.