Hooggehakt tussen anjers door lopen in compacte dans Bausch

Voorstelling: Nelken. Gezelschap: Tanztheater Wuppertal. Regie en choreografie: Pina Bausch. Muziek: o.a. Léhar, Schubert, Gershwin, Armstrong. Toneelbeeld: Peter Pabst. Kostuums: Marion Cito. Gezien: 27 juni, Koninklijk Theater Carré, Amsterdam. Daar nog te zien: 28 en 29 juni.

Met drie voorstellingen van Nelken (Anjers) sluit het Tanztheater Wuppertal - een naam die niemand gebruikt: men spreekt gewoon van Pina Bausch - de optredens in het Holland Festival af. Ook voor dit derde programma was het publiek weer in groten getale naar Carré gekomen, waar de uitgebouwde toneelvloer ditmaal getransformeerd was tot een ware bloemenzee van honderden, dicht op elkaar gelegen bleek- en hardroze anjers. In dat stralende lenteveld, dat na een kleine twee uur nog even kleurig maar wel vertrapt en geschonden achterblijft, trekt een aaneenschakeling van speelse, wrange, hardvochtige, tedere, kinderlijke, wijze, onschuldige en geraffineerde scènes voorbij. Daarmee wordt een verhaal verteld van macht, onderworpenheid, willekeur, hoop en onbegrip.

Nelken, gemaakt in 1982, heeft alle ingrediënten die inmiddels van Bauschs produkties bekend zijn: de telkens in verschillende vormen terugkerende lange aaneengesloten rij dansers, de dwangmatigheid en wanhoop in de zich herhalende bewegingsfrases, de uitgeschreeuwde teksten, de verlepte chique avondjurken waarin zowel de vrouwen als de mannen gekleed zijn. De blijheid, die nooit echte blijheid is, de kleine persoonlijke verhalen van de dansers, de altijd aanwezige onbestemde dreiging, de humor die vaak tegen tranen aanzit en het drama dat bijna lachwekkend wordt. De vanzelfsprekendheid van raadselachtige situaties, zoals in dit geval de praktisch naakte vrouw die hooggehakt precieus tussen de anjers haar weg zoekt met om de hals een accordeon die ze nooit zal bespelen. Ook zijn er weer de indringende beelden en ontkom je niet aan de volstrekte overgave en integriteit waarmee de uitvoerenden te werk gaan.

In Nelken is oudgediende Jan Minarek de centrale figuur. Onverzettelijk en haatopwekkend minzaam geeft hij bevelen, manipuleert en intimideert hij. Hij dwingt mensen tot vernederende handelingen: het opzeggen van het Onze Vader terwijl iemand de blote voetzolen kietelt, het rondkruipen en blaffen als een hond, het blaten als een geit of het krijsen als een papegaai. Hij is ook degene die de dartelende, als konijntjes rondspringende dansers op het nog maagdelijke anjerveld opjaagt en achtervolgt en in zijn kielzog vier herdershonden met hun begeleiders meevoert. Hij betuttelt en negeert de radeloze vrouw die voorziet dat mensen van een metershoge stellage zullen gaan springen.

Zijn hartslag is letterlijk de maatstaf. De onschuldige, vaak lieflijke akties van de anderen monden meestal uit op chaos of bloeden langzaam dood, zoals de enkele malen dat het publiek bij de voorstelling betrokken wordt nooit uitmondt in een wezenlijke deelname. Nelken heeft een uitgebalanceerde afwisseling in stemmingen en is compacter dan de vaak overlange latere Bausch-stukken. Naast Jan Minarek zijn het vooral Lutz Förster en Dominique Mercy die in deze produktie binnen de uitstekende groep acterende dansers opvallen. De laatste geeft in een hilarische scène een moeiteloze demonstratie van briljant 'klassiek' draai- en sprongwerk. Het was goed de groep van Pina Bausch weer in Holland te zien, vooral omdat de programmakeuze van ouder werk zo'n wijze bleek te zijn met wat mij betreft het Frühlingsopfer als absoluut hoogtepunt.