Drassige duinen stuiven weer; De duinen moeten 'plasdras' zijn

Het is februari 1995 en nat. Nat in laag Nederland, nat in hoog Nederland, nat zelfs in onze notoire droogterand, de duinen. In een deel daarvan, het Noordhollands duinreservaat, is het net nog even natter. Daar is een wandeling alleen nog mogelijk met bergschoenen aan of, beter nog, laarzen. Alle duinzandpaden zijn slikkerig, voorzover ze niet als sloten zijn volgelopen. De meeste ruiterpaden zijn afgesloten. Ze zijn voor paarden levensgevaarlijk geworden. Overal in het bos zijn kleine poeltjes en in de duinvalleien schitteren grote blauwe meren. Bij Egmond aan Zee wordt gesurft. Tussen de duinen, wel te verstaan.

Bij het Provinciaal Waterleidingbedrijf Noord-Holland kennen ze de oorzaak. “Normaal valt er in een winter 800 mm regen”, zegt voorlichter Chris van Deursen, “maar nu was het 1.200 mm.” Voor het hele duinreservaat betekende dat 16 miljard liter water extra. Dat is de atmosferische kant en het ene deel van het verhaal. Er is ook een andere kant en die heeft te maken met de bodem, de duingrond waar al die miljarden liters water extra op terechtkwamen. Die bodem was namelijk al nat, heel wat natter althans dan we dat van duingebied gewend zijn. Al geruime tijd wordt er ieder jaar minder water aan het duingebied onttrokken. Het is een belangrijke ombuiging van een trend. Want sinds het begin van de duinwaterwinning in 1853 werd er eigenlijk juist ieder jaar méér drinkwater uit het duin gehaald en droogden de duinen steeds verder uit.

Het was Jac.P. Thijsse die al in 1930 waarschuwde voor de verdroging die het gevolg was van al dat pompen. Hij vestigde de aandacht op voortgaande ontluistering van het bijzondere, want natte, Noordhollandse duinlandschap. Toch duurde het nog tot het eind van de jaren vijftig voor de onttrekking van natuurlijk grondwater langzaam kon afnemen. Vanaf dat moment werd er water van buiten naar de duinen toegeleid. Sinds de jaren tachtig komt het meeste Noordhollandse drinkwater uit infiltratiegebieden en via het pompstation van Andijk. Dankzij een nieuwe techniek van diepinfiltratie is bovendien onder het reservaat een ondergrondse waterberging ontstaan die van strategisch belang is door haar constante kwaliteit en temperatuur.

Met inventiviteit en vernuft is zo de drinkwatervoorziening van Noord-Holland veiliggesteld, terwijl toch per jaar nog maar 2 miljoen m3 grondwater aan het duin onttrokken hoeft te worden, nog geen tiende van wat het ooit was. Uitgaande van een verhoogde grondwaterstand is vervolgens vanaf 1992 een begin gemaakt met het actief beheren en ontwikkelen van het vernattende duinmilieu. Het is het Provinciaal Waterleidingbedrijf dat de eer toekomt van dit behoedzame gemanoeuvreer van onder twee petten: die van drinkwaterproducent en natuurbeheerder tegelijkertijd. De vorige directeur, C. Sprey, kreeg een eredoctoraat voor het zo succesvol overbruggen van de belangentegenstelling.

En zo keert dan het duinreservaat terug naar een situatie van lang geleden. 'Plasdras' moet alles weer worden, net zoals vroeger, toen je in de winter schaatsend van Den Helder naar Zandvoort kon. Zeldzame vogels zoals paapje en waterral zullen er weer broeden en als het allemaal goed gaat, komen allang verdwenen planten in de vegetatie terug. Dat is het met multidisciplinaire deskundigheid uitgezette beleid.

Maar inmiddels is het april 1995. De hoeveelheid water waarmee het reservaat is belast, is opgelopen tot het dubbele van normaal. In de regionale pers worden de diverse verantwoordelijkheden voor het provinciaal waterbeheer tegenover elkaar gezet, want er is nu overlast en dat kost geld. De Amsterdammers die in Bakkum hun tenthuisjes willen neerzetten, kunnen daar niet terecht en in de nieuwbouw in Egmond Binnen schimmelen de parketvloeren. Toch blijkt de invloed van aan- en afvoerstromen en van het pompbeleid beperkt. De hoofdoorzaak, daarover zijn de deskundigen het eens, blijft die geweldige, ongebruikelijke bak met regen.

Tijdens een natte wandeling kom ik de boswachter tegen en vraag hem of het ooit nog weer wat droger zal worden in het duin. “Het water zakt nu al”, zegt hij geruststellend, “en wacht maar af, straks komen de bomen in het blad en je zult zien, dan gaat het ineens héél snel.” Een paar weken later is het zover. De bomen lijken al het water opgezogen te hebben. Van laag bij de grond tot hoog tegen de lucht spant het nieuwe blad. Het schittert oranje in de toppen van de populieren en groen en zilvergroen in de kruinen van berken en wilgen. Het laat de abelenblaadjes flikkeren als kleine spiegeltjes tegen het blauw. De meerkoeten zijn weg en eenden zoeken ontheemd naar de allerlaatste allerlaagste poeltjes.

En nu is het eind juni. Het is weer droog in het duin. In de vlakke valleien staan nog resten van de moerasandijvie, dorre staakjes. De bomen staan zwaar van het blad dat al weer donkerder begint te worden. Daarboven hangen de wolken die al het uitgedampte vocht vasthouden. Ongetwijfeld zal het hier volgend jaar weer heel nat worden en misschien zullen we tussen de meren het paapje zien of de blauwe kiekendief, wie weet. Maar voorlopig stuiven de paden weer en ruikt het er naar droog, verrukkelijk warm en droog.