Bolkestein treedt in het voetspoor van Brinkman

Er zitten opmerkelijke parallellen tussen het optreden van de voormalige CDA-fractieleider Brinkman en de huidige VVD-voorman Bolkestein, signaleert Kees Versteegh. Ook Bolkestein trekt veel aandacht met standpunten waarvoor hij in de Tweede Kamer geen steun krijgt. Dat schaadt, net als bij Brinkman, zijn politieke geloofwaardigheid.

Bolkestein gaat steeds meer trekken van Brinkman vertonen, en dat komt niet alleen door zijn groeiende voorkeur voor optredens in roddelbladen. Net als destijds voor de CDA-kroonprins die als symbool van tragiek en mislukking de geschiedenis inging, dreigt voor de VVD-leider een groeiend gebrek aan geloofwaardigheid.

Het geruchtmakende vraaggesprek met Nieuwe Revu - die Bolkestein overigens eerst voor Privé aanzag - legt enkele zwakheden van de VVD-leider bloot. Hij kondigt aan zich deze zomer te willen verdiepen in onderwijs en volksgezondheid, onderwerpen waar hij naar zijn eigen zin te weinig van af weet. “Ik wil ook op die vlakken leidend worden in de discussie”, zo licht Bolkestein toe. Hoezo ook? Kennelijk denkt hij op andere terreinen al het toneel te beheersen.

Maar waar stond Bolkestein vorige week in het debat over de dumping van de Brent Spar? Toen dreef hij nog braaf mee op de stroom van political correctness tegen Shell. Bolkestein, die naar eigen zeggen zuinig is met lof voor anderen, is dat minder voor zichzelf. Met één woordje verraadt hij een narcisme dat ook Brinkman niet vreemd was.

Bolkestein vindt discussies 'leiden' gemakkelijker dan ideeën omzetten in concrete (beleids-)daden, zo maakt hetzelfde vraaggesprek duidelijk. Hij noemt als belangrijkste fout in zijn politieke leven dat hij in 1989 als bewindsman in het tweede kabinet-Lubbers meewerkte aan het geven van een lintje aan de cineast Joris Ivens, per slot “een communist pur sang”. En eigenlijk wilde hij de uitgifte van een Joris Ivens-postzegel blokkeren. Maar “ach heden”, de postzegel blijkt al vier maanden in de roulatie te zijn. “Dat is me kennelijk ontgaan”, verzucht hij. De 'discussie leiden' verzandt hier in het formuleren van een machteloos dépit.

Ook Brinkman wilde als CDA-fractievoorzitter een voorhoedefunctie vervullen. In tegenstelling tot Kok en Lubbers, die een vaderlijke vorm van leiderschap gemeen hebben, voelde Brinkman zich het meest op zijn gemak als bestrijder van allerlei taboes binnen zijn partij (de gekozen burgemeester, afstandelijker relaties met de zuilen, bestuurlijke schaalvergroting). Net als Bolkestein genoot Brinkman er zichtbaar van als hij met dekselse uitspraken parlement en publieke opinie kon laten sidderen, zoals na zijn befaamde Texelse rede begin 1992.

In die dagen verweet Bolkestein, toen nog aanvoerder van de oppositie, Brinkman twee dingen. Ten eerste dat die zijn interessantste politieke uitspraken voor plaatsen buiten het parlement reserveerde (spreekbeurten, interviews), terwijl het politieke debat toch daarbinnen diende te worden gevoerd. Ten tweede wezen Bolkestein en anderen er op dat de fractievoorziter van de grootste regeringspartij er steeds minder in slaagde zijn opmerkelijke statements, bijvoorbeeld over de WAO, tot kabinetsbeleid te verheffen. Integendeel: zijn uitspraken leidden tot steeds grotere onenigheid met verwante ministers zoals Lubbers en De Vries.

Bolkestein dreigt nu in dezelfde situatie te belanden. Toegegeven: door in de Tweede Kamer te blijven als fractieleider van zijn partij heeft Bolkestein het parlement als forum voor het politiek discours nieuw aanzien gegeven. Die beslissing verdient groot respect. Toch heeft ook Bolkestein geen echt antwoord op het dilemma waarmee Brinkman - en eigenlijk elke fractieleider van een coalitiepartij - worstelt: hoe in coalitieverband de eigen zichtbaarheid te bewaren zonder diezelfde coalitie in gevaar te brengen? Die vraag klemt eens temeer als de verschillen tussen de politieke partijen steeds kleiner worden.

Slechts met opmerkelijke maar tamelijk vrijblijvende uitspraken kan de illusie van het bestaan van verschillen tussen politieke partijen in stand worden gehouden. Eenmaal uitvergroot door de media creëren de ontstane relletjes een pseudo-werkelijkheid die echter met instortingsgevaar wordt bedreigd zodra blijkt dat ze geen ander doel dient dan het profileren van het eigen gezicht.

Dat Bolkestein die kunst beter verstaat en met veel groter electoraal succes beoefent dan Brinkman behoeft geen betoog, al past hier enige relativering: Brinkman scoorde in zijn eerste jaar als fractievoorzitter van het CDA ook goed in de opiniepeilingen. Toch lijkt de VVD-leider met zijn brede intellectuele ontwikkeling en groot retorisch talent veel beter toegerust dan Brinkman om het volk bezig te houden. Dat maakt de politieke risico's van zijn werkwijze - afnemende geloofwaardigheid en onenigheid in de eigen partijgelederen - er echter niet kleiner op, hoogstens minder zichtbaar.

Bolkesteins opvallendste drie uitspraken van de laatste vier maanden - over een mogelijke beperking van het asielbeleid, de terugtrekking van de Nederlandse troepen uit Bosnië en de vergelijking tussen oud-NSB'ers en oud-CPN'ers - deed hij alle drie buiten de vergaderzaal van de Tweede Kamer, een praktijk die hij destijds bij Brinkman bekritiseerde. Alle drie keer kwam hij daarbij tegenover eigen bewindslieden te staan: de eerste en de derde keer tegenover vice-premier Dijkstal (binnenlandse zaken), en in het geval van Bosnië overduidelijk tegenover minister Voorhoeve (defensie).

Toen PvdA en D66 Bolkestein in de Tweede Kamer ter verantwoording riepen bleef van diens uitspraak over het asielbeleid weinig meer over dan slappe pap. Zijn oproep tot een duidelijke keuze in het Bosnië-conflict omdat anders toestanden à la Vietnam dreigen waar de Amerikanen werden vernederd, werd door het kabinet slechts ten dele overgenomen. Bolkestein steunde dat kabinetsstandpunt vandaag in een Kamerdebat.

Op het derde punt - de vergelijking tussen oud-NSB'ers en oud-CPN'ers - heeft Bolkestein zelf al toegegeven dat hij als bewindsman heeft gefaald toen het erop aankwam zijn normen op dit gebied in de praktijk te brengen. In dit opzicht verschilt hij overigens van Brinkman toen die minister was. Ten minste één keer paste Brinkman zijn eigen principes wel tijdig toe: in 1986 weigerde hij als minister van WVC H. Brandt Corstius de P.C. Hooftprijs uit te reiken.

Het geloofwaardigheidsprobleem van Bolkestein wordt mede veroorzaakt door de manier waarop hij zich politiek laat adviseren. Ook in dat opzicht doet hij aan Brinkman denken. Beiden steunen niet alleen op traditionele partijkaders, maar ook in belangrijke mate op externe contacten. Van Brinkman was bekend dat hij meer gaf om de adviezen van zijn public-relations-assistent Wester, de VVD-politicus Wiegel en de Amsterdamse hoofdcommissaris van politie, Nordholt (PvdA), dan om de raadgevingen van zijn eigen fractiegenoten of CDA-bewindslieden.

Bolkestein houdt er een eigen salon op na. Van tijd tot tijd noodt hij schrijvers, journalisten of deskundigen aan de dis in zijn huis, zoals Ian Buruma. Dikwijls zijn zij niet van zijn eigen partij afkomstig. Onder het genot van een maaltijd bespreekt het gezelschap daar een onderwerp van maatschappelijke importantie. Zo analyseerde Bolkestein met de schrijver W.J. Otten en minister Borst (D66) het euthanasie-vraagstuk.

Deze aanpak is verfrissend in een tijd dat politieke partijen hun monopolie op ideeënvorming hebben verloren. De aanpak is zelfs noodzakelijk voor voorhoedespelers als Bolkestein. Voor hen representeert de traditionele partijorganisatie immers een deel van de taboes en de traagheid die zij juist willen bestrijden.

Toch roept de aanpak ook vragen op en wel naar de verhouding tussen idee en macht. Vroeger of later moeten ook leiders als Bolkestein terug naar hun eigen partijorganisatie en personeel om de nieuwe ideeën uitgevoerd en afgedwongen te krijgen. De vraag is of de laatsten daarvoor te mobiliseren zijn als zij niet bij de ideeënvorming zijn betrokken. Behalve tact, opvoedkunst en bindend vermogen vergt dat veel geduld van de politiek leider. Juist op dat gebied faalde Brinkman jammerlijk. De kans dat Bolkestein wèl slaagt is er na deze week niet groter op geworden.