Strijd Major zegt meer over Tories dan over hun leider

LONDEN, 27 JUNI. John Redwood, de Britse ex-minister voor Wales, wierp zich gisteren bij zijn kandidaatstelling voor het partijleiderschap van de Conservatieven op als redder van het vaderland. Als een sterker leider dan de eeuwig beminnelijke John Major. Als de ware vertegenwoordiger van het Conservatieve erfgoed, veel meer dan de huidige, altijd laverende, altijd zwalkende Conservatieve voorman, die met zijn aftreden de partij “in de chaos” heeft gestort.

Niemand verwacht dat John Redwood volgende week dinsdag in de eerste ronde van de leiderschapsstrijd John Major zal verslaan, ondanks de van zelfvertrouwen fluorescerende presentatie van de ex-minister, ondanks de luidruchtige steun die hij onmiddellijk van de rechtervleugel binnen de partij heeft gekregen. De vraag is niet óf Major zal winnen, de vraag is met welke marge hij de zege naar zich toe zal trekken. Elke stem op Redwood, net zo goed als elke onthouding, zal worden uitgelegd als motie van wantrouwen tegen de premier.

Formeel heeft Major maar 215 stemmen nodig - de helft plus vijftien procent van de 329 Conservatieve Lagerhuisleden - om zich partijleider te mogen blijven noemen, zonder dat een tweede ronde in de leiderschapsstrijd noodzakelijk is. Maar als eenderde van de Conservatieve fractie John Major niet blijkt te steunen, wordt zijn positie ondanks een ruime overwinning toch nog onhoudbaar. Dan is zijn missie mislukt.

Zijn onverhoedse aftreden vorige week als partijleider was er op gericht in één ferme klap een eind te maken aan de openlijke verdeeldheid binnen de Conservatieven en aan de voortdurende speculaties over zijn vervanging, die de geloofwaardigheid van zowel de partij als de regering ondermijnen. Door zelf het initiatief te nemen en aan te sturen op een strijd om de macht in de partij, wat in de Britse politieke historie nooit eerder vertoond is, heeft hij geprobeerd zijn tegenstanders zowel binnen als buiten de partij het zwijgen op te leggen. Onder het motto 'Slikken of stikken'.

De tactiek van Major is alleen geslaagd als de fractie zich volgende week dinsdag vierkant achter hem schaart. Met aanzienlijk meer dan een tweederde meerderheid. Anders blijft de premier door interne stammentwisten en partij-guerrilla achtervolgd. Een toch al zwaar beschadigde partijleider overleeft zo'n extra verwonding niet.

De leiderschapscrisis in de Britse Conservatieve partij zegt meer over de paniek binnen de partij dan over de bekwaamheid van haar leider. Anders dan vijf jaar geleden, toen Margaret Thatcher tot ontslag werd gedwongen, geldt de onvrede niet in de eerste plaats de leider van de Tories.

Pag. 5: 'Zelfmoord' Tories denkbaar

Vijf jaar geleden stond niet het vertrouwen in de Conservatieve partij op het spel. De Conservatieve partij was niet impopulair, Thatcher en haar poll tax waren impopulair. Het lozen van Thatcher en het schrappen van de poll tax waren voldoende om de Conservatieven hun vierde achtereenvolgende verkiezingszege te bezorgen.

Anno 1995 staan de Tories, nog geen twee jaar voor de volgende algemene verkiezingen, er in de opiniepeilingen hopeloos voor. Bij lokale en tussentijdse verkiezingen lijden ze de ene na de andere smadelijke nederlaag. Nog altijd na-ijlende gevolgen van de recessie, grote sociale onzekerheid, een reeks van schandalen en de aanhoudende onenigheid binnen de Conservatieven hebben het vertrouwen in de regeringspartij zwaar ondermijnd.

Diezelfde opiniepeilingen leren dat de aantrekkingskracht van de Conservatieven onder een andere leider alleen nog maar verder daalt. Met minister van werkgelegenheid Michael Portillo aan het roer, de favoriet van de rechtervleugel, halen de Tories nog minder stemmen. Hetzelfde geldt voor minister van handel en industrie Michael Heseltine, de kampioen van gematigd links. Major is bij de kiezers niet gruwelijk geliefd, maar van alle mogelijke kanidaten voor het partijleiderschap is hij nog het meest populair. Uit onderzoek onder Conservatieve partijleden blijkt dat ook de eigen aanhang niet erg geestdriftig wordt van Major, maar dat ze van andere kandidaten nog minder heil verwacht.

Als de Conservatieve partij volgende week dinsdag niet eindelijk de rijen sluit, als Major niet met overweldigende meerderheid als partijleider wordt herkozen, als de premier tot terugtreden gedwongen wordt, is dat de wanhoopsdaad van een vertwijfelde fractie. Zo'n kamikaze-actie zou de paniek weerspiegelen van een leger van beroepspolitici die voor hun zetels vrezen. Parlementariërs die dinsdag niet voor Major stemmen, zijn er kennelijk van overtuigd dat ze de volgende verkiezingen onder zijn leiding onmogelijk kunnen winnen. En ze hopen op een wonder. Als een voetbalclub die met degradatie bedreigd wordt en in een reflex naar een trainerswissel grijpt.

Niemand zal Major van een overmaat aan charisma betichten. En telkens opnieuw wordt hij als een zwakke leider aan de kaak gesteld. Maar een leider kan alleen maar zo sterk zijn als zijn partij hem toestaat. Een regeringsleider in de twee-partijenstaat Groot-Brittannië heeft niet alleen als taak om leiding te geven aan de natie, maar ook om zijn partij - in wezen een coalitie van partijen - bij elkaar te houden. Dat vergt per definitie geschipper, compromissen. Daarbij heeft Major de pech dat hij maar over een betrekkelijk kleine meerderheid in het Lagerhuis kan beschikken zodat een kleine groep dissidenten - neem de Euro-rebellen - toch al snel grote invloed heeft.

Bij de onlangs overleden ex-premier en Labour-leider Harold Wilson bleek dat de historici hem uiteindelijk veel milder beoordeelden dan zijn tijdgenoten. Zijn toenmalige critici noemden hem een zwakkeling die de principeloosheid tot principe had verheven. Maar de geschiedschrijvers legden juist de nadruk op de grote verdeeldheid in zijn partij, op zijn kleine meerderheid, op de immense problemen die hem belaagden. Zij roemden de stuurmanskunst waarmee hij zijn partij bij elkaar had gehouden in een moeilijke tijd.

Misschien is eenzelfde lot ooit Major nog beschoren. Zijn grote verdienste is, dat hij zijn sterk verdeelde partij in de post-Koude-Oorlog-periode bij elkaar heeft gehouden. Als zijn partij hem dinsdag laat vallen, zouden de gevolgen wel eens verstrekkender kunnen zijn dan een verkiezingsnederlaag. Een strijd om de macht binnen de Tories kan het begin betekenen van een fatale, zelfvernietigende splijting in de partij.