Spaarzin Japanners stijgt tot 14,9 procent van gezinsinkomen; Inflatie moet Japanse economie uit slop helpen

In de internationale pers wordt over de Japanse economie vaak de noodklok geluid. De Japanse overheid ziet het minder zorgelijk. Haar commentaar op de verwachtingen die de OESO vorige week publiceerde: “De groeiprojectie van de OESO ziet er wat zwak uit in vergelijking met onze eigen cijfers.” Een blik op 'Japan Inc.'

ROTTERDAM, 27 JUNI. “Het eerste kwartaal van 1995 was een ramp.” Kazuhiko Ogata, analist bij het effectenkantoor Jardine Fleming Ltd. in Tokio, lijkt de negatieve geluiden in de internationale pers over de toestand van de Japanse economie alleen maar te bevestigen. Toch blijkt het beeld genuanceerder.

Ogata oordeelt zo hard omdat hij kritiek heeft op de versluierende presentatie die de Japanse overheid van de cijfers over dat eerste kwartaal gaf. De Japanse autoriteiten legden de nadruk op de ontwikkeling van het bruto binnenlands produkt (BBP), dat in het eerste kwartaal van dit jaar met 0,1 procent toename ten opzichte van een jaar eerder. Gemakshalve ging de Japanse overheid voorbij aan het feit dat het BBP nominaal met 0,8 procent kromp. De reële groei is dus uitsluitend te danken aan deflatie. En juist deflatie, beklemtoont Ogata, is de grote bedreiging voor de Japanse economie. Hierdoor bestaat immers het risico van een spiraal van dalende inkomsten en produktiebeperking bij bedrijven, afnemende werkgelegenheid en koopkracht aan de kant van de consument.

Bij een beoordeling van de Japanse economie springen twee aan elkaar gerelateerde problemen in het oog: dalende bestedingen van bedrijfsleven, consument en overheid, waardoor de economie krimpt, en de hoge waarde van de yen.

Door de dure yen dalen in Japan de prijzen van importprodukten. Een aantal warenhuisketens is met goedkope importgoederen bezig met kakaku hakkai, 'prijsvernietiging', zoals het in Japan wordt genoemd. De firma Daiei heeft een 'bieroorlog' ontketend door importbier voor 50 procent van de tot dan toe gangbare prijs aan te bieden. Onafhankelijke distributeurs verkopen het in Hongkong gebrouwen bier van het Japanse merk Kirin voor een dertig procent lagere prijs dan lokaal gebrouwen Kirin.

Amerikaanse pc-producenten hebben inmiddels 30 procent van de Japanse markt veroverd. Het Japanse NEC zag zich daardoor genoodzaakt zijn prijzen met 20 procent te verlagen om zijn marktaandeel van 50 procent te beschermen.

De consumenten genieten van deze dalende prijzen. Met minder geld komen ze net zo goed uit. Bijkomende factor is dat de consumentenbestedingen daalden door de onrust als gevolg van de aanslag met gifgas in de metro van Tokio in maart. Deze heeft bij veel mensen de animo om tijd te besteden aan het doen van inkopen in het centrum van de grote steden weggenomen.

Daarnaast lijkt het ook of de Japanse consument minder wìl besteden. Japanners zijn meer gaan sparen. Het afgelopen jaar stegen de besparingen tot 14,9 procent van het gezinsinkomen, tegen 4,1 in de Verenigde Staten en 12,3 in Duitsland. De OESO, de organisatie van geïndustrialiseerde landen, verwacht dat de besparingen in Japan dit jaar opnieuw groeien.

De Japanse postgiro maakte op 16 juni bekend dat het saldo van tegoeden de grens van 200 biljoen yen (3.700 miljard gulden) heeft overschreden. Het saldo bereikte de 100 biljoen grens in 1985 en had zes jaar nodig om tot 150 te komen. Nu is er in slechts 3,5 jaar tijd weer 50 biljoen yen bijgekomen.

De Japanners zorgen er dus voor 'iets' achter de hand te hebben voor minder goede tijden. Vergeleken met voorgaande jaren ziet de toekomst er voor de Japanner niet florissant uit. De werkloosheid bedraagt nu 3,2 procent. Vergeleken met Europa is dat een rooskleurige situatie, maar voor Japanners is het verontrustend. Het is het hoogste werkloosheidscijfer sinds 1953, toen de registratie ervan begon.

Pag.16: 'De Oostaziatische landen gaan een gouden tijd tegemoet'; Arbeidsmarkt vormt spiegel van zwakke economie

De perspectieven op de arbeidsmarkt voor jonge Japanners verslechteren. Het zojuist afgesloten 'recruteringsseizoen', wanneer grote groepen afgestudeerden beschikbaar komen, nam het bedrijfsleven al minder nieuwe mensen aan dan in het verleden. En een derde van de Japanse bedrijven heeft inmiddels aangegeven ook volgend voorjaar minder afgestudeerden in dienst te zullen nemen.

Eén van de weinige bedrijven die hebben aangekondigd volgend jaar méér jonge werknemers in dienst te nemen is de warenhuisketen Daiei, het bedrijf dat een grote rol speelt in de 'prijsvernietiging.

De matige vooruitzichten in het Japanse bedrijfsleven blijken niet alleen uit de verminderde animo voor jonge werknemers. Steeds meer ondernemingen hebben de aanvangssalarissen bevroren. Bijna de helft van de bedrijven betaalt de nieuwelingen dit jaar hetzelfde aanvangssalaris als de lichting 1994.

Dit alles heeft ertoe geleid dat de nominale bestedingen van Japanse gezinnen in het eerste kwartaal 0,1 procent onder het niveau van vorig jaar lagen. De verminderde bestedingsbereidheid is ook zichtbaar op de onroerend-goedmarkt. Die is nog lang niet over de ineenstorting van 1989 heen.

Een aanzwengeling van bestedingen hoeft niet van de kant van de consument te worden verwacht, aldus deskundigen. Maar ook de investeringen van Japanse bedrijven in eigen land vertonen al een aantal jaren een daling.

In het eerste kwartaal van 1995 daalde de export met 0,1 procent en het overschot op de handelsbalans met 24,5 procent. Door de gestage waardevermindering van de dollar wil het handelsoverschot uitgedrukt in dollars nog wel eens een stijging laten zien. In yen uitgedrukt is er echter al twee jaar sprake van een daling. Met achterblijvende binnenlandse bestedingen en een matig exportresultaat is de bereidheid om te investeren laag.

Het resultaat is dat het Japanse bedrijfsleven de produktie naar de goedkope Oostaziatische regio verplaatst. “De Oostaziatische landen gaan een gouden tijd tegemoet”, aldus Ogata. De handelsbalans met de landen in die regio is nu nog in het voordeel van Japan door een grote export van kapitaalgoederen. Ogata verwacht echter dat de export naar Japan van in Oost-Azië geproduceerde consumptiegoederen het Japanse handelsoverschot met die regio over één à twee jaar aanzienlijk zal hebben gereduceerd.

Alleen deze import zal op termijn volgens Ogata de koers van de yen weer kunnen laten zakken. Ondanks het lage disconto in Japan, 1 procent, functioneert het rentemechanisme niet om de huidige hoge koers van de yen te drukken. Er is geen sprake van een vlucht naar een munt met een hoge rente. Dat komt onder meer doordat institutionele beleggers ertoe neigen buitenlandse bezittingen te verkopen om met de opbrengst daarvan - 'thuis', in yen - de balans weer op orde te brengen na de grote daling van de aandelenkoersen en vastgoedprijzen in Japan. Ook bestaat er ongerustheid dat verdere stijging van de yen de waarde van de buitenlandse beleggingen nog meer zal doen dalen.

Ondanks de lage rente is de individuele Japanner allerminst gewend zijn geld in het buitenland op de bank te zetten, waar hij mogelijk een hogere rente kan toucheren. In dat opzicht is de situatie niet te vergelijken met die in Europa. De munt van het buurland Zuid-Korea, de won, is bijvoorbeeld helemaal niet verhandelbaar.

De bedrijfsinvesteringen in Japan nemen, zoals gezegd, al enkele jaren af. De daling van het BBP in het eerste kwartaal van dit jaar werd veroorzaakt doordat nu ook de particuliere consumptie èn de overheidsinvesteringen zijn gedaald. Aangezien burgers niet 'gedwongen' kunnen worden meer te besteden, is volgens analist Ogata dringend behoefte aan “een wijze overheid” om de gevaarlijke spiraal van deflatie, dalende bedrijfsinkomsten, vermindering van produktie en daling van de werkgelegenheid te doorbreken.

Het vaak geschetste gevaar van de 'slechte leningen' op de balansen van de banken vormt volgens hem niet direct een grote bedreiging voor de economie. Het geschatte totaal hiervan, zo'n 750 miljard gulden, lijkt groot, maar er staan Japanse spaartegoeden tegenover van 20.350 miljard gulden. Bovendien zijn individuele Japanners niet in grote financiële problemen gekomen door het uiteenspatten van de 'zeepbel' van 1989, de ongekende stijging van grond- en aandelenprijzen door speculatie. Het bedrag aan uitstaande schulden van de Japanners is 27 procent van de besparingen, hetgeen naar internationale maatstaven een alleszins redelijke verhouding is.

Een probleem van de verzwakte balansen van de banken is dat ze momenteel weinig tot geen leningen verstrekken die de economische groei weer op gang kunnen brengen. “Het zou niet erg zijn als een bank failliet zou gaan”, aldus J. van Duijn, de beleggingsstrateeg van de Robeco-groep. Failliet gaan is nu eenmaal het bedrijfsrisico van zakendoen en kan de goeden van de kwaden scheiden.

De overheid, op wie nu de taak rust de economie te stimuleren, maakte vandaag details over een pakket maatregelen bekend ter waarde van 50 miljard gulden. Eerdere stimuleringspaketten brachten echter geen structurele verbetering van de economie omdat “de geldhoeveelheid door deze paketten niet tegelijkertijd toeneemt en dus slechts de bestedingen van de particuliere sector worden verdrongen”, aldus Richard Werner, analist bij Jardine Fleming in Tokio. Volgens hem dient de overheid het publiek voor te bereiden op het gebruik van publieke fondsen om de banken uit het slop te halen.

Ondanks hun reserves verwachten Ogata en zijn collega Werner nog dit jaar een “drastische verbetering” van de Japanse economie, niet in de laatste plaats omdat de “wijze overheid” sinds vorige maand de geldpers laat draaien. De inflatie die hiervan het gevolg is, is volgens Werner nu precies wat het land nodig heeft.