Nuttige 'tussenbalans' over nieuwe media in VS

Megamedia Shakeout: The Inside Story of the Leaders and the Losers in the Exploding Communications Industry. Door Kevin Maney. Uitg. John Wiley & Sons, 1995. Prijs 24,95 dollar.

'Communacopia' noemde investeringsbank Goldman Sachs de overnamekoorts die zich najaar 1993 van de Amerikaanse telecom- en media-industrie meester maakte. Met als toekomstperspectief de elektronische snelweg - de bundeling van van telefoon- en kabelnetwerken - werden kabelmaatschappijen, filmproducenten, softwarebedrijven en telecomgiganten in elkaars armen gedreven. De toenmalige Apple-topman John Sculley schatte de toekomstige markt op 3,5 triljoen dollar. Andere schattingen kwamen zelfs nog hoger uit. De Europese en Japanse elektronica-industrie ging driftig aan de slag met haalbaarheidsstudies. Ook Nederland kwam met een tamelijk ambitieus Actieplan Elektronische Snelwegen.

'Dealmania' is nog lang niet voorbij. Nog niet zo lang geleden nam het Amerikaanse telecombedrijf MCI een belang in News Corp, het media-conglomeraat van Rupert Murdoch. USA Today-redacteur Kevin Maney houdt zelfs rekening met de verkoop van omroepen als NBC en CBS, Columbia Pictures, elektronische netwerken als America Online en Prodigy, Sprint (telecommunicatie) en Apple (computers).

In 'Megamedia Shakeout' doet Maney een poging om enige orde in de nu onstane chaos te scheppen. Dat is hard nodig ook, want weliswaar zijn nu overal stellingen ingenomen, voor de gemiddelde consument of belegger is het volstrekt onduidelijk wat er gaat gebeuren.

Maney laat zijn verhaal beginnen bij Bell Atlantic, het Amerikaanse telecombedrijf dat in 1993 als eerste naar de rechter stapte omdat het via snelle telefoonverbindingen geen video-programma's aan de consument mocht leveren. Alleen Amerikaanse kabelmaatschappijen mochten zich tot dan toe met omroepachtige activiteiten bezighouden. Bell Atlantic vond dat in strijd met het recht op vrije meningsuiting en de rechter dacht daar ook zo over.

Daarna was het hek van de dam. Ook de andere Bell-maatschappijen stapten naar de rechter. Tegelijkertijd kwam er een stroom van fusies en overnames op gang, want nu het jurdische onderscheid tussen kabel en telefoon leek te verdwijnen werden televisie, telefoon en computer één. Bell Atlantic, dat met kabelexploitant TCI een kongsie zou vormen, beloofde de consument niet minder dan 500 (interactieve) televisiekanalen.

Maar al gauw zette de FCC, het overheidsorgaan dat de Amerikaanse media-wereld reguleert, een domper op de feestvreugde. De in de ogen van de FCC veel te hoge kabeltarieven moesten met zeven procent omlaag. Daarmee daalden de inkomsten van TCI drastisch en was het bedrijf voor Bell Atlantic niet langer aantrekkelijk meer. De mislukte verloving tussen beide ondernemingen liet de motieven voor samenwerking tussen telefoon- en kabelbedrijven evenwel onverlet. Met grote voortvarendheid stortten kabel- en telecombedrijven zich op experimenten met interactieve televisie. Niet dat die investeringen snel zullen worden terugverdiend: het experiment dat uitgever Time Warner in Orlando eind vorig jaar begon, loopt in de miljoenen. Alleen al de speciale ontvangstkastjes kosten circa 2000 dollar.

Maney waarschuwt dan ook voor al te hooggespannen verwachtingen: over tien jaar kijkt iedereen nog steeds televisie, wellicht is het toestel dan een beeldscherm geworden waarop je meerdere apparaten kunt aansluiten, maar veel zal bij het oude blijven. Vooral de kabelmaatschappijen kunnen zich volgens Maney niet al te grote risico's permitteren: ze hebben gewoon het geld niet om ambitieuze projecten van de grond te tillen.

In 'Megamedia Shakeout' passeren vrijwel alle hoofdrolspelers in de Amerikaanse media- en telecomindustrie de revue. Geen bedrijf of industrie wordt overgeslagen. Interessanter zijn daarentegen de hoofdstukken waarin Maney zijn licht laat schijnen over de winnaars en verliezers van de slag om de kabel.

Winnaars zijn volgens de auteur AT&T, dat in 2000 's werelds grootste telecombedrijf zal zijn, Walt Disney, dat zich niet eens ergens hoeft in te kopen omdat het een belangrijk deel van de software zal moeten leveren, Motorola, omdat het sterk is in mobiele telefonie, en Hewlett Packard, omdat dit bedrijf als geen ander weet wat de consument wil. Ook ziet Maney een grote rol weggelegd voor TCI-topman John Malone, maar die zal zich dan wel eerst moeten losweken van zijn kabelbedrijf.

Verliezers zijn 'Baby Bell' Pacific Telesis, omdat het zich teveel richt op regio Californië, Bell Atlantic, omdat een veel te logge onderneming is, het telecombedrijf Sprint, omdat het niet in lange termijnen denkt, Apple, omdat het geen talenten of een creatieve bedrijfscultuur meer heeft, en Barry Diller, een van de grondleggers van de elektronische snelweg, omdat zijn telewinkelbedrijf QVC aan kabelmaatschappij Comcast is verkocht en hij daar niets te zeggen heeft.

Aan niet-Amerikaanse bedrijven besteedt de auteur nauwelijks aandacht: Maney suggereert dat Europa en Azië op het gebied van interactief amusement hopeloos achterlopen. Het is waar dat Los Angeles nog altijd het epicentrum is van de entertainment-industrie en dat alle grote computer- en software-bedrijven in de VS zijn gevestigd. Maar Europa haalt de schade snel in, al dan niet met steun van de Amerikanen. Het bod van Philips en 'Baby Bell' US West op de Amsterdamse kabel spreekt in dit verband boekdelen. Ook zijn de Europeanen op het gebied van telecommunicatie verder gevorderd dan de Amerikanen. Nadeel is dat het monopolie op spraaktelefonie - nu nog in handen van de nationale PTT's - over drie jaar zal zijn opgeheven. Pas wanneer alle wettelijke beperkingen rond de kabel zijn weggenomen, beleeft Europa wellicht zijn eigen 'Megamedia Shakeout'.