Muziek uit de ritmebox vervangt ouderwets zweten op World Roots Festival; Oorverdovende eerlijke feestklanken

Concerten: World Roots Festival met o.a. Ndaï Ndaï, Boukan Ginen, Banda el Recodo en Salif Keita. Gehoord: 22 t/m 25/6 Melkweg, Amsterdam.

De dans kan allerlei doelen dienen, zo bleek de afgelopen dagen in de Melkweg. Je kunt er de dood mee bezweren zoals werd geprobeerd door de uit Tibet gevluchte Sera-Med Monniken, je kunt er ook het etiket van een dure onderbroek mee tonen zoals Hakan en Volkan Korkmaz van de Jeunes Turcs deden tijdens hun ero-acrobatiek. Je kunt zelfs al dansende een paar ringen van de grond nemen zoals de zigeunerinnen van Rajasthan demonstreerden, met de oogleden (!) wel te verstaan.

In al deze drie gevallen bood de dans compensatie voor wat er niet of te weinig was: goede muziek. Bij de monniken gebeurde er in muzikaal opzicht vrijwel niets, de Rajasthans uit India en de Jeunes Turcs uit Amsterdam rommelden ieder op hun eigen manier maar een flink eind aan.

Dans van meer conventionele aard, ter onderstreping of aanvulling van ritmische actie, speelde een rol bij Ndaï Ndaï uit de Centraal Afrikaanse Republiek, een doorkneed stadsorkest dat welluidende liedjes weet te vatten in heel gevarieerde ritmische kaders. Dat ze begaan zijn met het lot van de pygmeeën in hun binnenland bleek uit de polyfone a capella zang aan het slot, versierd met allerlei oerwoudgeluiden.

Het uit Haïti afkomstige Boukan Ginen bevestigde na een moeizaam begin de kwaliteit van de cd Jou a Rive. De ritmische ostinati zijn bij vlagen obsederend, de koorzang is messcherp. De met dreadlocks getooide voorzanger Eddy François, qua geluid een kruising van Bob Marley en Rod Stewart in zijn beste tijd, heeft alles van een muzikale messias. Kracht, inspiratie en volharding, ze zijn voelbaar in elke lettergreep, al is zijn Creoolse Frans nauwelijks verstaanbaar.

Ook de teksten van de Malinese albino-zanger Salif Keita zijn op een enkel woordje na niet te volgen, maar dat is niet erg want hij heeft een naam. Hij kan er daarom zijn gemak van nemen, uitbundig al zijn muzikanten omhelzen, handjes schudden met het publiek en zelfs een tijdje op een handdoek knielen om na te denken over het leven. De show loopt gesmeerd, iedere break is raak, de uitstekende saxofonist Cissoko Moussa wisselt spelen en grappen maken moeiteloos af. Zijn baas vindt alles prachtig, huppelt vrolijk op zijn sportschoenen rond en grijpt bij wijlen de microfoon voor een heel lange noot met vééé-hééé-hééel extra galm van de knoppenman.

Want dat hebben wereldmusici helaas ook geleerd, zo bleek uit dit festival: dat vertrouwen op electronica meer loont dan ouderwets zweten. Een ritmebox is beter dan een echte drummer, een sample veiliger dan een spontane inval. Het meest extreem in dit opzicht was de Engelse damesgroep Horace X die zaterdag driekwart van haar muziek uit een doosje toverde.

Het Mexicaanse orkest Banda el Recodo was met hen vergeleken zo ouderwets en macho als maar mogelijks is. Gewoon keihard spelen zonder flauwekul, dat is waar deze walgelijk uitgedoste koper bigband in uitblonk. Van wals tot cumbia en van mars tot merengue, het spuit er uit met enorme kracht zonder dat er ergens een draadje los raakt. De tubaïst blaast alle ritme-boxen naar de schroothoop, het klarinettrio klinkt als dat van Duke Ellington omstreeks 1930, de trompet-sectie overstemt die van Stan Kenton van twintig jaar later en het geheel klinkt als feestmuziek zonder tijd of duur.

Kunst? Ammehoela. Wereldmuziek? Nooit van gehoord. Het is dansen en bijna doof worden voor de prijs van één, zeldzaam plat maar ook grenzeloos eerlijk.