Meisjes zitten 'uit voorzorg' in politiecel

ROTTERDAM, 27 JUNI. Tientallen minderjarige meisjes dreigen in de prostitutie terecht te komen, wanneer het aantal plaatsen bij gesloten opvanghuizen voor meisjes niet snel wordt uitgebreid. Dat is het schrikbeeld dat de Utrechtse kinderrechters gisteren schetsten.

Volgens de kinderrechters moeten de 69 bedden die nu in heel Nederland voor meisjes bij gesloten inrichtingen beschikbaar zijn, uitbreiden tot circa tweehonderd. Het gebeurt steeds vaker, aldus de rechters, dat er geen plaats is voor kinderen die met name voor hun eigen veiligheid en als bescherming tegen zichzelf acuut in een gesloten inrichting moeten worden geplaatst.

De jeugdrechters zochten gisteren de publiciteit om onder meer hun bezorgdheid te uiten over de gang van zaken rond de opvang van twee meisjes van twaalf en dertien die al een week in een Utrechtse politiecel zitten. De zusjes zijn via een versnelde procedure uit huis geplaatst, na een verzoek van de alleenstaande moeder die geen greep meer op de kinderen had, en na advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Voor hun bescherming moeten de kinderen tijdelijk in een gesloten inrichting worden ondergebracht. Daar is op z'n vroegst eind deze week plaats. De zusjes dreigen in de prostitutie terecht te komen wanneer ze weer op straat komen.

Wijzend op dit schrijnende voorbeeld noemde kinderrechter J. Nieuwenhuijsen het “volstrekt onverantwoord nog langer zo door te gaan”. In een brandbrief heeft de rechter gisteren de staatssecretarissen Schmitz (justitie) en Terpstra (welzijn) en enkele leden van de Tweede Kamer om aandacht gevraagd voor het gebrek aan plaatsen bij gesloten inrichtingen voor meisjes. Ook wil Nieuwenhuijsen een politiek debat over hoe lang minderjarigen in een politiecel onderdak mogen krijgen.

Staatssecretaris Schmitz noemt de actie van de kinderrechters een “begrijpelijk signaal”. Volgens Schmitz zijn de nodige investeringen om tot uitbreiding van de opvang te komen gedaan. “Maar het is niet mogelijk direct resultaat te zien”, aldus de staatssecretaris. Eind 1996 zullen twintig plaatsen voor de opvang van meisjes en 96 voor behandeling worden geopend.

De Kinderbescherming, Stichting Jeugdhulpverlening midden-Nederland en de Utrechtse jeugd- en zedenpolitie scharen zich achter de protesten van de kinderrechters. Ook zij vinden dat het tekort aan opvangruimte een ontoelaatbare situatie is ontstaan. De betrokken instanties verwijten het ministerie van justitie, maar ook de volksvertegenwoordiging, “politieke onwil”: te lang hebben zij het probleem rond de jeugdzorg genegeerd. Kinderrechter A.C. Quik-Schuijt: “Dit probleem doet zich al tien jaar voor. Ik ben al talloze malen naar Den Haag geweest om dit aan te kaarten. Maar er gebeurt nooit iets.”

Volgens Quik-Schuijt staat een kwart van de kinderen die onder toezicht van justitie zijn geplaatst eerst enkele weken (“onacceptabel lang”) op een wachtlijst, voordat ze in een opvanghuis terecht kunnen. “Die jongeren laat je dan vaak naar huis gaan. Wanneer er na twee, drie weken plaats is, zijn zij ondergedoken en vind je ze nooit meer”, aldus Quik-Schuijt.

Volgens de kinderrechter kunnen de hoge kosten voor de bouw van nieuwe opvang geen argument zijn om niet te beginnen met uitbreiding van het aantal plaatsen. Quik-Schuijt: “Uiteindelijk zal de investering zich terugverdienen. Nu komen de meisjes vaak in de psychiatrie terecht en belanden de jongens op het criminele pad.”

De twee Utrechtse zusjes werden door anti-prostitutieteams van politie en kinderbescherming regelmatig 's nachts aangetroffen in gezelschap van een groep oudere jongens. Volgens de Utrechtse jeugd- en zedenpolitie was het gevaar groot dat de meisjes door deze contacten in het prostitutiecircuit zouden verdwijnen. Uit voorzorg en op verzoek van de moeder grepen politie en justitie in.

De meisjes werden in een zogeheten open opvang geplaatst, maar liepen daar na enkele dagen weg. Ze belandden vervolgens, door gebrek aan betere alternatieven, in de politiecel. Daar leven ze strikt gescheiden van de bajesklanten. Behalve wat stripboeken en het op vaste tijden luchten hebben de kinderen nauwelijks enig vertier. G.E. Acton, chef van de Utrechtse jeugd- en zedenpolitie, denkt dat de meisjes “ongetwijfeld schade op lange termijn” zullen overhouden aan de periode in de politiecel, die al acht dagen duurt. Inmiddels is voor een van de kinderen ander onderdak gevonden.