Literatuur in dameskledij

De Gids, 'Omgekleed'. Juni-juli 1995, Meulenhoff 114 blz.ƒ32,50

Met 'Omgekleed' maakte De Gids een zomernummer over travestie in de literatuur. De bekendste Nederlandse gender benders zijn er niet bij - Maarten 't Hart, Andreas Burnier noch René Stoute - maar daar staan een paar verrassinkjes uit het buitenland tegenover. Beeldend kunstenaar R.B. Kitaj schreef intrigerend commentaar bij twee van zijn eigen schilderijen, 'Waar het spoor de zee verlaat' en het 'Zelfportret als vrouw'. Van Bodo Kirchhoff werd een toespraak vertaald van een presentator van een stripteasenummer. Geen korte opwindende aankondiging, nee, een heel verhaal terwijl hij wacht tot artiest Andrea(s) opkomt. Al associërend houdt hij een schitterende monoloog, waarin Kafka aan bod komt, en zijn moeder, winden en tepels, een concurrerende 'kletsmaster', krokodilletraantjes en het kontje van Andrea, sex ('dat liedje met die wrede x aan het eind'), de knieholte en migraine, Steffi Graf, nootjes en een harde houten stoel. “Je kunt een knie tegenwoordig niet meer zo ontbloten, zeg ik, zoals dat in de jaren zestig mogelijk was, en je kunt van een blote knie ook niet meer zoveel verwachten als pakweg tijdens de bouw van de muur, dat kan ik zelfs met mijn eigen knie demonstreren, ja, waarom zou dat minder goed gaan dan met de knie waar u hier allemaal op zit te wachten; of, laten we die knie even voor wat hij is, neem nu de navel, met recht de origineelste plek van het lichaam, een mond in feite, vaak een akelig stukje kraakbeen, bij en ander weer een charmant kuiltje, en toch zou niemand zeggen: O wat een mooie vrouwennavel, zoals je zegt: O wat een mooie vrouwenknie. Dus helemaal onafhankelijk van mijn geslacht, mijn navel.”

Henk Romijn Meijer opent het nummer met een verhaal over vertelperspectief en travestie. “En toch heb ik mijzelf bij herhaling verkleed, mijn verhaal verteld als puber of oude man, als homo, als meisje, als middelbare vrouw, zonder er veel bij te denken, meer gewoon in de zekerheid dat het verhaal zo verteld diende te worden en niet anders.” Marja Brouwers publiceert alvast een fragment uit haar nieuwe roman De cowboyengel rijdt. Een relatie van haar tekst met het thema lijkt afwezig, of het moest zijn dat de schrijfster een man als hoofdpersoon koos. Het fragment gaat over een Amsterdamse journalist die het lijk van een andere Nederlander heeft gevonden in Noord-Spanje. Op het allereerste gezicht is het gegeven zelf spectaculairder dan de uitwerking ervan. Boeiender en mooier is 'Een zomer' van Henk Pröpper, waarin een dochter samen met haar moeder de stukgevallen weck van een hele zomer opruimt. Dorinde van Oort analyseert haar eigen roman Vrouwenvlees uit 1992, geschreven vanuit een mannelijk perspectief, een in meer dan dit opzicht 'wezensvreemde' Blauwbaard. Ook Jacq Vogelaar spreekt zich op deze plaats uit over zijn travestie in de literatuur, bij zijn boek Anatomie van een glasachtig lichaam dat een vrouw als hoofdpersoon heeft. ('Weet een kwartel wat een roofkever voelt?'). Toen bekend werd gemaakt dat zich achter de dichteres Marieke Jonkman de man Anton Ent verschool, krabden critici en lezers die Jonkman zo'n typisch vrouwelijke stem vonden hebben zich verlegen achter de oren. In De Gids gaat Jonkman/Ent nog wat verder: hij schreef een Jonkman-gedicht en laat daar Ent én Jonkman op reageren, en beide dichters ook weer op een gedicht van hem-zelf. Ent: “Een wonder achtte ik van geen betekenis: / lijf en geest luisterden wat graag. Suggestie / speelde steeds de baas. Hocus pocus. Poëzie.”

Het lijkt of Ent er een beetje spijt van heeft dat hij zijn 'pseudogyniem' heeft verklapt. Hij noemt zichzelf mannelijk van sekse en tweeslachtig van inborst. “Ik heb slechts stem gegeven aan de vrouw die ik in mij draag. Ik ben dan ook niet blij met de term 'literaire travestie'.