Historicus Brands over de herijking van buitenlands beleid in Europa; 'Nederland zal moeten leren slikken'

DEN HAAG, 27 JUNI. Eenvoudig zal het voor Nederlanders niet zijn, maar als de regering besluit lid te worden van een kerngroep met Duitsers en Fransen in Europa, zullen zij hun ergernis over heel wat zaken moeten leren inslikken.

Dat zegt de Amsterdamse hoogleraar nieuwe geschiedenis dr. M.C. Brands. “Het is een spel dat ons niet ligt, maar met mokkend rondlopen in zo'n kopgroep bereik je niets”, meent de historicus.Onder zijn leiding werd het vandaag verschenen rapport samengesteld van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid over het buitenlands beleid.

Nederland zal zich bij de vorming van een kerngroep binnen de Europese Unie een eigen plaats moeten veroveren, aldus Brands, “en met het verschaffen van irritatie lukt dat niet”. “Als je heel bewust kiest voor binnenlands beleid dat afwijkt van de buurlanden dan moet je bedenken welke consequenties dat heeft voor de nauwere samenwerking die je zoekt. En dat betekent geen slaafsheid of dociliteit. Ons rapport pleit er niet voor alle Nederlandse vrijheden op te geven maar we moeten ons er wel van bewust zijn wat dit soort verdieping, volgens ons de enige mogelijkheid, betekent.”

Hij noemt de 'Lubbers-affaire', de opvolging van J. Delors, voorzitter van de Europese Commissie. Breed is toen uitgesponnen dat de benoeming, die Lubbers misliep, een dictaat was van de Franse en Duitse partners. Maar als de regering een hechtere samenwerking zoekt met Fransen en Duitsers zal zij haar verontwaardiging moeten leren inperken, meent Brands. Een ander voorbeeld: het drugsbeleid kan niet al te ver afwijken van de regels in de buurlanden, leden van diezelfde kopgroep in Europa. Voor het asielbeleid geldt hetzelfde.

Bij de aanschaf van militair materieel als helikopters geldt geen gedwongen winkelnering binnen Europa, maar bij een afwijkende keuze zal die wel tegenover de partners moeten worden gelegitimeerd. Bij de vorming van een Frans-Duits legerkorps kan Nederland niet afstandelijk blijven toekijken, als ze tegelijkertijd met die landen verdieping zoekt van de Europese integratie. Ook aan de relaties en hulp aan Oost- en Midden-Europa zal Nederland meer moeten doen.

Die laatste taak mag volgens Brands niet alleen op Duitsland neerkomen, een inspanning die in de Britse pers al wordt omschreven als het 'vestigen van een informeel Duits Rijk'. “Als Duitsland zegt: laat dat niet allemaal aan ons alleen over, dan moet je snel de politieke bereidheid tonen om daar op in te springen. In het verleden hebben we die zorg nooit gehad en was er vrij weinig aandacht voor die landen. Dat moet veranderen, ook al omdat het potentiële lidstaten zijn van de Europese Unie.”

Het tijdperk van de grote ideologiën is voorbij, zegt Brands. In het rapport wordt nuchter maar toch ook somber gesteld dat de keuzes die Nederland op buitenlands politiek terrein nog heeft, vaak zullen neerkomen op 'de minst nadelige variant'. Natuurlijk kan de regering haar mensenrechtenpolitiek en ontwikkelingsstrategieën behouden. Maar ze zullen moeten worden ingepast in de hechtere samenwerking met de twee grotere landen in Europa, Duitsland en Frankrijk. Daarbij “kunnen we minder kraaiend rondlopen”, meent Brands.

Als voorbeeld noemt hij de Duitse houding tegenover de Russische president Jeltsin. “Natuurlijk is er verontwaardiging over wat die man uitspookt. Dat kan van geen kanten. Maar daarnaast moet je beseffen wat er gebeurt als hij er niet meer is. Dat doen de Duitsers, en dat heeft dan ook gevolgen voor onze houding. De opstelling van Bonn en Parijs tegenover bepaalde regimes zal dan ook eerder de onze moeten worden.”

De Raad adviseert de Nederlandse regering deze omslag te maken omdat Den Haag van 'binnenuit' in een kopgroep meer invloed zal kunnen behouden dan vanaf de zijlijn. Hij geeft toe dat er een alternatief is: afbrokkeling van de bereikte integratie voorkomen en de handen verder zo min mogelijk binden. Maar Brands en zijn mede-onderzoekers verwachten dat in dat geval de status quo niet voortduurt en spelverruwing optreedt, een 'vernegentiende-eeuwsing' van de buitenlandse poltiek met alle veiligheidsrisico's vandien en een nog dominanter Duitsland.

“We zitten nu al in een centrifuge, waarbij veel zaken uit elkaar vallen. De politieke onmacht van de Europese Unie ervaar je dagelijks. Hans van den Broek, de commissaris belast met die politiek, geeft het zelf toe. Die onmacht is voor ons land bedreigend en daarom zoek je aanknopingspunten om het Europese handelingsvermogen te versterken. Buiten de Frans-Duitse samenwerking konden we die niet vinden. En op de oude adressen in Washington en Londen kregen we geen antwoord.”

Bij veiligheidsoperaties zal Nederland in de toekomst beter moeten bepalen wat haar prioriteiten zijn. Die zullen meer en meer aan de periferie van Europa liggen. “Over die veiligheid, eigenlijk over de gehele omwenteling na 1990 hebben we geen groot politiek debat gehad. Het laatste grote veiligheidsdebat ging over de plaatsing van kernwapens. Daarna waren we te druk met het nieuwe interventionisme en werd er weinig nagedacht. Nu is er de ontnuchtering. Zelfs de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Ghali, stelt vragen bij wat de VN kan ondernemen.”

Dat debat moet ook hier worden gevoerd. Het is volgens Brands dan logisch allereerst te kijken naar de onstabiele situatie in het Zuidoosten van Europa en in Noord Afrika. In een eigen interventiemacht van de Verenigde Naties, al is het maar een kleine brandweerbrigade zoals minister Van Mierlo wil, ziet hij niets - omdat de grote landen daar tegen zijn.

Aan één onderwerp is de Raad niet toegekomen. Het is de vraag van de samenstellers of Den Haag, mocht het besluiten mee te doen aan een kopgroep in de Europese Unie, daar met de huidige departementale indeling voor is uitgerust. Moet die niet op de helling? Is het niet noodzakelijk om tot een nieuwe bundeling van krachten te komen als er zo'n vergaande politieke beslissing wordt genomen? Het lijkt de auteurs op zijn minst een ander rapport waard.