Het krachtenveld en Nederland

EEN CONSISTENT buitenlands beleid is deze jaren maar weinig landen gegeven. Dat kan ook niet anders want de bedreigingen van de nationale veiligheid en stabiliteit zijn diffuus en de noodzaak tot gezamenlijke aanpak van problemen niet vanzelfsprekend. Zo deinen landen op de stroom van toeval, emotie en reflex mee.

Tegelijkertijd woedt in vele landen een felle discussie over prioriteiten van een nieuw buitenlands beleid. In Frankrijk probeert een nieuwe president gaullistische grandeur opnieuw uit, in Londen is een premier het spoor bijster, in Duitsland strijden Europese en nationale sentimenten met elkaar. Vreemd is het dan niet wanneer ook een land als Nederland zoekende is. Immers, de instellingen waaraan Nederland een deel van de zorg voor eigen veiligheid en welvaart heeft uitbesteed - de Navo en de Europese Unie - worden fragieler.

Tegen deze achtergrond heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid een advies uitgebracht dat twee dingen tegelijk probeert: inspelen op de veranderingen in de wereld en een zekere mate van continuïteit in het buitenlands beleid van Nederland waarborgen. En dat is wonderwel gelukt.

DE RAAD IS diverse heilige huisjes van traditioneel beleid binnengewandeld - het supranationale Europa, de ontwikkelingssamenwerking - en constateert dat het er binnen slecht uitziet. Hij schroomt ook niet gekoesterde binnenlandse mores - bijvoorbeeld het drugsbeleid - van een realistischer buitenlands-politieke context te voorzien onder het motto: afwijkend gedrag heeft ook een prijs. Dat is alles bij elkaar verfrissend realistisch.

De beleidsopties aan het slot van het lijvige rapport zijn volgens de Raad beperkt. Men zou kunnen kiezen voor een moderne variant op de vooroorlogse Nederlandse traditie van afzijdigheid. Daarbij ging het destijds om een Nederlands “onvermogen tot een bindend engagement” en om een pragmatische uitkomst van afwegingen. De Raad noemt dat een “beleid van open opties” met een afwachtend, defensief karakter. Daarbij past een streven naar wisselende coalitievorming rondom concrete vraagstukken in Europees verband. VVD-fractieleider Bolkestein zal zich hierin herkennen.

De Raad verwerpt deze optie echter en kiest voor een versterkte inzet van Nederland in de Europese Unie. In de praktijk betekent dat een keuze voor Frankrijk en Duitsland, met een nieuwe impuls voor Benelux-overleg (al voegt de Raad er wijselijk aan toe dat de Benelux al zo vaak geen realiteit is gebleken). Het behoud van de bereikte integratie, de bescherming van grote, vooral regionaal bepaalde handelsbelangen, kortom het 'verzekerings-karakter' van een meer verplichtende samenwerking laat geen andere keuze toe. Premier Kok en minister Van Mierlo zullen zich hierin herkennen en de christendemocratische oppositie eveneens.

De WRR-aanbevelingen vormen alles bij elkaar een nuchtere, realistische koersbepaling. Maar tegelijkertijd gaat het in mentale zin om een copernicaanse wending.

DE RAAD MAAKT van Nederland een continentaler land dan eigenlijk in het traditionele zelfbeeld van Nederland past. Omdat het rapport - en dat is een zwakte - zich amper bezighoudt met institutionele vraagstukken, ontbreekt dan ook een draaiboek voor de realisatie van deze copernicaanse wending. Niet uitgesloten is dat er dus veel over wordt gesproken maar dat het er niet van komt. Zoals de auteur, professor Brands dezer dagen zelf al vertwijfeld zei: Misschien kunnen we niet kiezen, want daar is Nederland niet zo goed in.