Een Distributieland heeft niets aan salami-tactiek

Onder het motto dat alleen kleine stappen grote projecten vooruit helpen, keert Milo Anstadt zich tegen de huidige besluitvorming rond de grote infrastructurele projecten Betuwelijn en uitbreiding Schiphol (NRC Handelsblad, 17 juni). De regering “gokt”, laat zich voor ondernemerskarretjes spannen, is “inflexibel” en “geen demagogie is haar te schaamteloos”. Fellere kritiek zou de regering alleen maar hardnekkiger aan eenmaal ingenomen standpunten doen vasthouden.

Dit lijkt ons een zelfmoordtactiek voor een onder controle van parlement en stembus levende regering. Wij dichten dit kabinet niet een dergelijke levensmoeheid toe. Ligt het niet veel meer voor de hand dat de regering de situatie anders ziet dan Anstadt? Zeker, er is felle weerstand tegen de projecten, maar deze heeft een vrij smal maatschappelijk draagvlak. De regering zou dus door parlement en kiezer niet gestraft worden, maar misschien zelfs beloond voor deze investeringen in de toekomst.

Anstadt baseert zijn kritiek op de grootschaligheid van Betuwelijn en Schiphol op de filosoof Karl Popper. Deze zag in kleine stappen, piecemeal engineering, de hoogste politieke wijsheid. Anstadt is hier echter het verschil tussen wegenbouwers en politici uit het oog verloren: Popper heeft het over 'piecemeal social engineering'. Radicale doorvoering van alomvattende sociale blauwdrukken, gewelddadige revoluties bijvoorbeeld, was hem een gruwel. De menselijke kosten en sociale ontwrichting zijn daarbij te groot en het eindbeeld is vaak diep droevig. Kleine stapjes dus onder condities van politieke en economische vrijheid.

Zijn infrastructurele voorzieningen als de Betuwelijn en de uitbreiding van Schiphol nu onder het kopje “radicale doorvoering van alomvattende sociale blauwdrukken” te scharen? Voor Nederlandse begrippen zijn het wel grote investeringsprojecten, maar maatschappelijk gezien is er nu juist geen grootscheepse en plotselinge heroriëntatie mee gemoeid. 'Nederland Distributieland', waarvan beide voorzieningen onderdeel zijn, is wel een strategisch ontwerp, maar daarmee wordt juist aangesloten op een eeuwenoude Nederlandse vervoerstraditie.

Ook de gevolgde bestuurlijke aanpak getuigt van het stapsgewijze karakter. Betuwelijn en Schiphol-uitbreiding staan al jaren op de rol. Een reeks van besluiten, beginnend in het midden van de jaren '80, kon op zulke grote parlementaire meerderheden rekenen, dat kabinetten van zeer uiteenlopende signatuur steeds dezelfde hoofdlijn hebben voortgezet. Geheel volgens de regelen der - ook Popperiaanse - kunst kenden de diverse besluitvormingsstadia van grof naar fijn nieuwe afwegingsmomenten.

Als tweede pijl op zijn boog legt Anstadt de Popper-stelling dat de toekomst per definitie onbekend is. Heeft de regering niet te veel vertrouwen in haar eigen toekomstvisie? Popper verzette zich immers principieel tegen het idee dat “langs wetenschappelijke weg de toekomst te voorspellen” zou zijn. Zo'n grote investering kan dus wel eens een misser blijken. De regering is gewaarschuwd!

Anstadt vergist zich hier in het wezen van de regeringsbeslissingen over de Betuwelijn en Schiphol. Er wordt helemaal geen poging gedaan om de toekomst te voorspellen. Er wordt gewoon gebouwd. Dat schept vervolgens de mogelijkheid van overige economische activiteit, maar niemand biedt de zekerheid dat die ook komt. Anstadts uitroep dat de investering door succesvolle concurrentie wel eens een flop zou kunnen worden, is het meest on-Popperiaanse argument dat hij aanvoert. De mededeling dat een bepaalde beleidslijn in de toekomst een onjuiste keuze zou kunnen blijken te zijn, is namelijk altijd waar. Aan dit soort waarheden als koeien had Popper een zeer grote hekel, omdat je er niet wijzer van wordt. Wetenschap bedrijven is een visie op tafel leggen met het risico dat die onjuist blijkt te zijn (trial and error). Popper was wel een voorstander van kleine stapjes, maar geen lafaard.

Het lijkt alsof Anstadt zich met zijn mededeling dat de wetenschap geen uitspraak kan doen over toekomst van maatschappelijke ontwikkelingen, keert tegen elk gebruik van een politieke toekomstvisie. Opnieuw slaat hij de plank van Popper mis. Popper was een voorstander van een interveniërende overheid volgens het recept van piecemeal social engineering, voor het gemak te vertalen als “stapsgewijs maatschappelijk sleutelen”. Voordat een overheid daaraan begint moet die natuurlijk wel beslissen waaraan gesleuteld wordt en met welk gewenst resultaat.

Zo'n 'visie' (beleidstheorie) is weliswaar niet 'wetenschappelijk', maar wel onmisbaar. De Nederlandse overheid kent gelukkig geen allesomvattend project, ze sleutelt aan honderden dingen tegelijk, onderwijs, rechtspraak, dijkverzwaring, de opera, sociale zekerheid, milieu, infrastructuur, en steeds op basis van een visie, hoe gebrekkig soms ook. Je moet er niet aan denken dat de overheid zou ophouden met het geld uitgeven aan dat soort projecten. Het zou tot Verelendung leiden. Leuk voor Marx, maar niks voor Popper. Twee van die projecten zijn de Betuwelijn en Schiphol, de beleidstheorie heet Nederland Distributieland.

In Anstadts aanklacht tegen het gebruik van een politieke toekomstvisie schuilt een groot gevaar. Het gevaar is dat de overheid zich minder over haar toekomstplannen zal uitspreken. De argumenten voor grote beslissingen gaan dan ondergronds. We krijgen dan geïsoleerde besluitjes voorgeschoteld als de opknapbeurt van het spoortracé tot en met Kijfhoek (nu onderdeel Betuwelijn), of een bescheiden verlenging van de Kaagbaan (nu onderdeel Schiphol). Dat kan toch niet op bezwaren stuiten! Een kwestie van salami-tactiek. Wat zou Milo Anstadt vinden van een overheid die hem steeds een plakje worst aanbiedt.