Die fietsen zijn een hobby van ons

De typische geur van een werkplaats: vochtige kartonnen dozen, een vleugje machine-olie, het metaal van de onderdelen, het hout van de werkbank. De straatkant van het directievertrek, toch al niet groter dan de gemiddelde keuken, is met gaatjesbord afgeschot om een etalage te vormen voor het produkt: een transportfiets. Het is er stoffig en al in geen jaren is iemand op de gedachte gekomen er iets aan te veranderen. Waarom zouden ze ook. Burco is in transport- en dienstfietsend Nederland een begrip. Bovendien moet Burco het tegenwoordig van de groothandel in onderdelen hebben, die fietsen zijn toch vooral een hobby geworden, of zeg maar: een erfenis.

Achter die onveranderlijke en onaanzienlijke etalage schuilt Nederlands laatste zelfstandige familiebedrijf dat met een man of 25 fietsen maakt. Burco, dat was F. van Buuren en Co.; Co was zijn compagnon Wijnschenk. Het bedrijf draaide ruim een jaar toen de oorlog uitbrak. Twee jaar daarna moesten de eigenaren, beiden joden, onderduiken. Zowel zijzelf als hun gezinnen hebben de oorlog overleefd, maar het bedrijf was leeggehaald. Van Buuren, die in het zuiden in de onderduik had gezeten, was alweer orders aan het binnenhalen toen het noorden nog niet eens bevrijd was. In '45 pakten ze in Amsterdam de draad weer op. “Er zijn tijden geweest, in de jaren zestig en zeventig, dat we twintigduizend fietsen per jaar produceerden”, zegt directeur J. Wijnschenk, zoon van de oprichter en sinds 1971 in de zaak. “Dat zijn er nu zo'n kleine tweeduizend per jaar. Ze vormen dan ook niet meer dan zes of zeven procent van onze omzet. Ze gaan ook minstens tien, vijftien jaar mee, en dat werkt ook tegen ons. Maar ze zijn ons visitekaartje en ook nog een hobby van ons, vooral van mijn vader, dus we gaan ermee door.” Wijnschenk senior, inmiddels 85, doet nog voor halve dagen mee in de zaak, en zoekt dagelijks zijn compagnon Van Buuren op in het bejaardentehuis.

Even verderop in de Kerkstraat - Burco heeft in dit deel van de Amsterdamse binnenstad drieduizend vierkante meter in bezit, verspreid over zeven panden - is de montagewerkplaats voor de transport-, dienst- en toermodellen met sierlijke gouden bies. Langs het plafond hangen rekken vol frames in bruin pakpapier; in de werkplaats ernaast staat een fiets 'op de bok', met rijen spatborden, kluwen remkabels en stapels kettingkasten binnen handbereik. In de ruimte erachter worden de wielen met de hand in elkaar gezet. “Van Groningen tot Delft rijden de postbodes en slagersknechten erop”, zegt Wijnschenk, “net als de werknemers die grote afstanden moeten afleggen op Schiphol en de bloemenveiling in Aalsmeer.”

Zo langzamerhand groeit Burco zelf uit zijn behuizing. “Het is wel heel gezellig hier in de binnenstad, maar met zeven panden is de logistiek van inkomende en uitgaande goederen bijna niet te overzien. We hebben vier eigen vrachtwagens, en als je ziet wat een toer het is om die hier te laden en te lossen, zeker met het anti-auto beleid dat Amsterdam nu voert... Ik denk dat we over twee of drie jaar hier weg moeten, richting havengebied.”

Ook voordat deze beslissing werd genomen werd er geen overtollige omzet besteed aan de inrichting van het kantoor. Burco staat voor degelijkheid, en ook binnenshuis is het bedrijf wars van opsmuk. In het kantoor krullen de hoeken van de bruine tapijttegels op en zijn de wanden al decennia lang met dezelfde geverniste schrootjes bekleed. “We hebben pas een paar jaar geleden de potkachel weggedaan! Bovendien trippen onze buitenlandse klanten op dit soort nostalgie. Daar staat tegenover dat we een van de meest vooruitstrevende bedrijven in de fietsbranche zijn op het gebied van de automatisering. Nee, inderdaad zie je het er niet aan af.” Hij lacht vergenoegd. “Je kunt overleven als je jezelf blijft. Burco leent zich niet voor al te veel nieuwigheid.”