De winnaar heeft altijd gelijk

BERKELEY/AMSTERDAM. Milton Wolf was de eerste die een hakenkruisvlag verscheurde van een Duits schip dat in de haven van New York aanmeerde. Later was hij de aanvoerder van de Amerikaanse vrijwilligers in de Spaanse burgeroorlog, de Abraham Lincolnbrigade, nog later was hij verbindingsofficier tussen de Amerikaanse inlichtingendienst en het communistische verzet in Joegoslavië en Italië en daarna kreeg hij de de McCarthy-jacht over zich heen.

We zaten in de zon te eten, in de achtertuin van Edith, de laatste keer dat ik hem zag. Milt was in de tachtig, maar hij was nog een lange, knappe man, en altijd was er wel iets met een vriendin, vaak half zo oud als hij. En nog altijd maakte hij zich druk over de wereld, net als de rest van de vriendenclub van Edith: met het inzamelen van medicijnen voor Cuba, met het organiseren van protestacties, met het financieren van ambulances en kliniekjes in Nicaragua.

Edith was ooit, in het New York van de jaren dertig, een beeldschoon meisje. Toen ze zestien werd had een mafiose oom haar tien biljetten van honderd dollar gegeven 'als ze nu direct naar Hollywood zou vertrekken' - ze griste het geld weg en moest door een paar tantes krijsend van de bushalte worden teruggesleept. Uiteindelijk belandde ze in een tweedehandsboekwinkel aan de University Avenue in Berkeley, waar haar man, Lou, aan iedere klant leerde hoe de wereld in elkaar zat.

Edith en Lou droomden van een betere wereld, zonder armoede en ongelijkheid, en ze hadden bewust nooit rijk willen worden: na de oorlog kregen ze een schitterende transactie aangeboden waarmee ze in één klap binnen zouden zijn. Maar Lou weigerde, hij wilde zijn zoons niet opvoeden als verwende burgerkinderen. In de McCarthy-tijd vluchtten ze naar Californië en overleefden. Hun ene zoon werd advocaat, hun andere, David, zat die middag ook aan tafel. Hij had er bewust voor gekozen om leraar te blijven op een arme middelbare school, midden in het getto van Oakland. Ik had hem wel eens bezig gezien voor de klas. Hij sprong heen en weer van de ene rol in de andere: dan was hij een vrolijke jongleur, dan een verhalenverteller, dan een vriendelijke rabbijn, dan weer een vechter. Bij het opnemen van de absenten hadden drie van zijn leerlingen griep, en twee zaten in de gevangenis.

Lou was allang dood toen de Muur viel. David was nog steeds lid van de partij, vertelde hij die middag. Van Edith kon ik niet goed hoogte krijgen: altijd had ze geloofd dat er buiten Amerika een ander land was, waar wél fatsoenlijk met mensen werd omgesprongen, altijd had ze de verhalen in de Amerikaanse pers als antipropaganda afgedaan, en nu wist ze het niet meer. Ze was diep teleurgesteld, maar ze zou dat niet snel openlijk toegeven, want ze was even trouw als integer. Milton mompelde iets over bastards die het verpest hadden en concentreerde zich toen weer op de blonde haren van mijn vriendin. In de tuin renden de eekhoorns over de schuttingen. Vanuit de keuken hoorden we hoe Edith de gebruikte blikjes met een hamer platsloeg, stuk voor stuk, voor de collectieve milieu-ophaaldienst: blik bij blik, groen bij groen, oud papier bij oud papier.

Dissidenten zijn dissidenten, of ze nu in Amerika wonen of in Rusland of in Nederland, en in de praktijk zijn het altijd hetzelfde soort mensen. Hun opvattingen mogen mijlen uit elkaar liggen, als je ze zou kunnen omwisselen zouden de meesten in hun nieuwe land al snel opnieuw dissident worden - zo zit dat soort mensen nu eenmaal in elkaar. Soms komen hun leiders aan de macht, maar de echte dissidenten zie je dan niet meer. Hun organisaties worden dan door een heel ander slag mensen overgenomen: gieren, klimgeiten, meelopers en machthebbers. Dissidenten komen er, een enkele uitzondering daargelaten, nooit gemakkelijk vanaf. Dat geldt voor anticommunistische, religieuze en communistische dissidenten in gelijke mate, en het geldt zelfs voor sommige vroege sympathisanten van het nationaal-socialisme.

Ik hoorde op de radio dat de VVD-voorman de Nederlandse ex-communisten op dezelfde manier wenste te bejegenen als oud-NSB-ers, en onmiddellijk rees die maaltijd in Berkeley weer voor me op, als een haarscherpe foto die ik bijna vergeten was, maar blijkbaar toch altijd meegedragen had.

Ik ben nooit dol op de communistische partij geweest, niet op de Amerikaanse en al helemaal niet op de Nederlandse. De leiding bestond in mijn ogen uit nare, burgerlijke mensen, ze graaiden alles en iedereen naar zich toe, en toen een paar studievrienden plat gingen praten en zich als lid lieten inschrijven vond ik ze niet goed bij hun hoofd. Heel veel later, toen het allemaal voorbij was, begon ik ze tot mijn eigen verbazing toch te missen, die gestaalde kaders: in de steden, waar het vaak voortreffelijke bestuurders waren, in de buurten, waar ze de boel motiveerden en overeind hielden, in het verzet tegen onrecht en vreemdelingenhaat, waarin ze volhardend, trouw en dapper waren. En niet weinigen hadden zelfs de moed om aan het eind van zo'n leven van onbaatzuchtig ploeteren te erkennen dat het grotendeels vergeefs was geweest: ze waren blind geweest voor het bloedige falen van hun eigen socialistische utopie.

Hoe men ook over de CPN als partij mag denken, het op één lijn stellen van communisten en NSB-ers is in dat licht vals en stompzinnig. Vals, vanwege Hannie Schaft en al die duizenden andere communisten, die voorop liepen toen het er werkelijk op aankwam. Stompzinnig, omdat de verhouding tussen de Nederlandse communisten en Moskou in later jaren juist uiterst getroubleerd was. Met Stalin heulende intellectuelen, waarnaar de VVD-leider zo driftig op zoek is, waren er de laatste decennia in Nederland dan ook nauwelijks. Wel waren er dissidenten, binnen, en vooral buiten de CPN. Blijkbaar moet daarop nu alsnog de jacht worden geopend.

Het roepen om een vleugje McCarthy, om een mini-bijltjesdag na de Koude Oorlog, is zo niets anders dan het zoeken naar een scalp, een laatste ritueel, gebaseerd op het idee dat in de geschiedenis overwinnaars altijd gelijk hebben. Voor sommigen is het overwinningsfeest blijkbaar nog steeds niet voorbij, ook al valt er steeds minder te vieren.