Conjunctuurbarometers geven vertraging van economische groei aan

DEN HAAG, 27 JUNI. De economie is over zijn hoogtepunt heen. De conjunctuurbarometers duiden al meerdere maanden op een naderende groeivertraging. De stemming heeft vooral te lijden onder de onzekere wisselkoerssituatie. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft de raming voor de economische groei in 1996 dan ook 0,25 procentpunt naar beneden bijgesteld. De economie zal volgens de jongste ramingen niet met 2,75 procent groeien, zoals in het voorjaar nog werd gedacht, maar met 2,5 procent. Dit wordt vooral veroorzaakt door minder investeringen. De onrust op de valutamarkten creëert onzekerheid. En niets is zo fnuikend voor het investeringsklimaat als onzekerheid. Het CPB heeft de investeringen dan ook een puntje naar beneden bijgesteld: 4 in plaats van 5 procent groei.

De economische groei voor 1995 blijft gehandhaafd op 3,25 procent. Dat lijkt rijkelijk veel gezien de huidige, wat pessimistischer wordende analyses van economische instituten in binnen- en buitenland. Dat het CPB zijn raming voor 1995 ongewijzigd heeft gelaten komt omdat de veroorzaker van lagere groei in 1996 - de investerigen - geen invloed meer heeft op dit jaar. De investeringsbeslissingen voor dit jaar zijn genomen. De betreffende machines en andere kapitaalgoederen zijn besteld, de benodigde bedrijfsgebouwen zijn in aanbouw. Daar komen ondernemers op korte termijn niet op terug.

De ramingen van het Centraal Planbureau zijn een actualisering van de in het voorjaar in het Centraal Economisch Plan gegeven indicaties. De nieuwste inzichten moeten het kabinet helpen bij het maken van de begroting voor volgend jaar. De cijfers geven niet meer dan een indicatie omdat ze zelden precies uitkomen. Met name de investeringsgeneigdheid van het bedrijfsleven wordt door het CPB steevast verkeerd ingeschat. Investeren is een kwestie van animal spirits, zoals de Brit John Maynard Keynes dat in de jaren dertig noemde. Ze zijn moeilijk in modellen te vangen.

De gesignaleerde omslag in het sentiment is echter wel degelijk van belang. Minder economische groei leidt tot minder belastinginkomsten bij de overheid, tot minder premieinkomsten voor de sociale zekerheid en een stijgende werkloosheid. Dat laatste komt tot uitdrukking in het aantal personen met een werkloosheidsuitkering (WW, RWW). Dat getal is voor 1996 door het CPB met 40.000 naar boven bijgesteld. Als de economische inzinking inderdaad doorzet, dan kan dit getal wel eens in rap tempo gaan oplopen richting het miljoen.

Opvallend is dat het saldo lopende rekening betalingsbalans (export minus import) met een miljard gulden oploopt tot 25,25 miljard gulden in 1996. Weliswaar liep het in eerdere ramingen nog harder op, tot 27,5 miljard gulden, maar het overschot blijft opvallend hoog. Een dergelijk betalingsbalansoverschot duidt op te weinig bestedingen in het binnenland. Keynes zou dan ook een stevige bestedingsimpuls (meer investeringen, hogere overheidsuitgaven en/of lagere belastingen) adviseren. Het geweldige overschot op de betalingsbalans met het buitenland is één van de oorzaken van de sterke gulden. De sterke gulden leidt tot een verslechterde concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven, zo schrijft het CPB. Buitenlanders moeten immers meer van hun valuta betalen voor de aanschaf van Nederlandse diensten en waren. En daardoor prijzen Nederlandse bedrijven zich relatief uit de markt. Het beste zou zijn als ondernemers nog meer van hun oplopende winsten zouden investeren in onder meer buitenlandse machines. Maar daar zijn ze volgens het CPB door de toenemende onzekerheid dus juist niet toe bereid.