Waar de schoolregels niet gelden

Kala kwam uit Tanzania, ze was opgegroeid op Zanzibar. Haar gezicht, met zowel Afrikaanse als Arabische trekken, was erg mooi en leek op dat van haar vader. Toen deze eens op school kwam, bezorgd omdat hij zijn dochter met een vriendinnetje over condooms had horen praten, maakte hij met zijn verschijning indruk op de secretaresse ('Die ogen!'). Kala daarentegen noemde hem 'a jerk' - ze had de leeftijd om tegen haar ouders in opstand te komen. Haar Nederlandse stiefmoeder noemde ze 'a bitch', wat al venijniger klonk.

De veertienjarige Kala was nog een kind, met dat ronde gezichtje en nog onvolgroeide lichaam. Lang zou ze het niet blijven. Bijna met de dag werd ze mooier. Zijzelf moet dat gevoeld hebben, haar vader zag het.

Zijn ongerustheid was gewekt door haar vriendschap met Aisha, afkomstig uit een achterbuurt van Detroit. Haar Tunesische vader was al op zijn zestiende naar Amerika gereisd, om er zijn fortuin te zoeken. Hij had het gevonden, een bescheiden versie althans, in de exploitatie van 'bars and parkinglots', en verder in een vrouw, een dochter, een nieuwe vrouw. Aisha groeide op onder die tweede vrouw, die eerder haar babysitter was geweest. Haar vader was niet veel thuis. Waarom hij naar Amsterdam kwam, weet ik niet, wel dat hij alleen Aisha meenam, en hier nu zijn brood verdiende met de verkoop van hot-dogs.

Dat de vader van Kala voor de slechte invloed van Aisha vreesde, was niet ongerechtvaardigd. Met Kala, Karen (uit Trinidad), Marzena (uit Polen), en Priscilla (uit Engeland) vormde Aisha een echt meisjesclubje, dat bij voorkeur Engels sprak. Temidden van een meerderheid van Turkse en Marokkaanse leerlingen waren ze de enigen met een, de een wat meer dan de ander, Westerse achtergrond - iets dat ze ook graag uitdroegen. Hecht was het clubje echter niet. Onzekerheid, jaloezie, en wat niet al op die leeftijd, ondermijnden al snel de wederzijdse vriendschappen, die toch meer op oppervlakkige overeenkomsten dan op werkelijke affiniteit waren gestoeld.

Marzena was de eerste die buitengesloten werd. Het meisje zat niet lekker in haar vel. Ze was de minst mooie van de vijf en lag thuis voortdurend met haar ouders overhoop. Bij een bezoek aan school gedroeg haar vader zich zelfs tegenover de secretaresse - waarom dat nodig was, begreep niemand - arrogant en autoritair. Met haar grapjes sloeg Marzena de plank altijd net mis, en de manier waarop ze met haar 'vriend' omging was al even geforceerd - waar was het voor nodig zo ostentatief hand-in-hand met hem door de gangen te lopen? Dat leek op pronken; feilloos herkende het groepje de onzekerheid achter deze maskerade. Marzena lag eruit en zocht haar heil in het metrostation Wibautstraat.

Met het stelletje haveloze lieden dat zich daar ophield, dronkelappen, dealers en verslaafden, omringd door opgeschoten jongens die althans tijdelijk niet willen deugen, wellicht deels afkomstig van de nabijgelegen LTS, was dit metrostation een plek ...tja, waar in ieder geval de schoolregels niet golden. Misschien was Aisha nog het meest bekend met de sfeer ervan - het moet haar zo'n beetje als thuis zijn voorgekomen. Want al in Detroit, op twaalfjarige leeftijd, had ze zich bij een groepje jongens aangesloten dat alleen nog naar school kwam om leraren te bedreigen.

Toch was Aisha een leuk meisje. Ze was lastig op geheel eigen wijze - zoals de meeste lastige leerlingen - en kon koppig 'no!' blijven roepen wanneer ik haar iets opdroeg dat haar niet zinde. Als ik dan boos tegen haar uitviel, begon ze te lachen, spontaan, met voor mij net genoeg gêne om er geen aanstoot aan te nemen. Voor haar had haar eigen ongehoorzaamheid, en dat ik me daar zo kwaad over maakte, iets komisch - niet helemaal ten onrechte.

Ernstiger was het dat Aisha nooit huiswerk maakte en vaak, steeds vaker, gewoon wegbleef - een voor haar vertrouwde gang van zaken. De afdeling 'eerste opvang' van onze school, bevolkt door overwegend brave, wereldvreemde moslims, zeker de meisjes, moet haar, in vergelijking met waar ze vandaan kwam, 'soft' zijn overgekomen. Haar op haar spijbelen aanspreken, wekte opnieuw haar lachlust op - ze besefte heel goed dat spijbelen niet kon, maar daarom was het juist zo grappig.

Het was Aisha die eerst Marzena en vervolgens Priscilla het spijbelen vergemakkelijkte. Voor Aisha was metrostation Wibautstraat een soort tweede Detroit en eigenlijk niet eens interessant; maar voor Marzena was die omgeving nieuw, en voor Priscilla ook.

De Engelse Priscilla was, na Marzena, de tweede die zich een buitenstaander begon te voelen. Ze leek en was ook jonger, kinderlijker nog, dan de anderen en drukte zich wellicht daarom des te grover uit. Als het haar zo uitkwam zei ze 'asshole' tegen mij, om vervolgens poeslief en zo verleidelijk mogelijk te lachen. Ze maakte zich op met zwarte lippenstift en bleef langzaamaan steeds vaker van school weg - om samen met Marzena in het metrostation Wibautstraat joints te gaan roken. Aisha deed dat liever thuis; ze had karakter genoeg om zelf te bepalen wanneer en waar ze wat deed. Kala en Karen deden het helemaal niet, joints roken, en vermeden bovendien het metrostation. Maar de sfeer van verloedering die daar heerste raakten in Marzena en Priscilla wel een snaar. Zij sloten zich maar al te graag aan bij het groepje jongens dat zich liever ondergronds verveelde, in het metrostation, dan op school, in de klas.

Arme Priscilla, een meisje met een mooi gezichtje - dat niet graag thuis was omdat haar vader, een halve of hele crimineel, voortdurend ruzie zocht met haar moeder - wilde er in het metrostation bijhoren, om toch nog ergens bij te horen, en was als gevolg te toegeeflijk. Ze zal gemerkt hebben hoe vluchtig de interesse van jongens kan zijn; een harde leerschool. De ouders van Marzena, oplettender, lieten het zover niet komen; zij werd, nog voor het einde van het jaar, naar Polen teruggestuurd.

En toch, als ze er waren, deze meisjes, was het leuk in de klas, dan waren het meisjes van dertien, veertien jaar, die mij uitlachten omdat ik groene sokken droeg (“The guy wears green socks!”), die de voornaam van de knappe biologieleraar wilden weten, en wanneer hij jarig was, en hoe je een liefdesbrief in het Nederlands moest schrijven. Op andere momenten bezorgden ze, althans Aisha en Priscilla, de leerplichtambtenaar, die ze voortdurend achterna moest lopen, handenvol werk.

    • Kees Beekmans