Orgaandonor worden moet simpel zijn

Het Wetsvoorstel orgaandonatie, waarover het parlement zich momenteel buigt, bevat een aantal belangrijke verbeteringen ten opzichte van eerdere versies. Het registratiesysteem dat nu wordt voorgesteld houdt in, dat elke Nederlander de gelegenheid krijgt te melden hoe hij staat tegenover het uitnemen van organen en weefsels na zijn dood ten behoeve van orgaantransplantatie. Men kan melden bereid te zijn tot donatie, niet bereid te zijn, of de beslissing aan zijn nabestaanden over te laten.

Wanneer men bij overlijden medisch geschikt is als orgaandonor, gaat de arts in het register na wat iemands voorkeur was en volgt die. Heeft de overledene zijn voorkeur niet laten registreren, dan mogen de nabestaanden, evenals thans het geval is, alsnog beslissen. Bij de mondelinge toelichting in de Tweede Kamer gaf minister Borst (volksgezondheid) te kennen dat zij van mening was dat ook bij een positieve registratie de nabestaanden dienen te worden geconsulteerd. Terecht, dat wil ook een meerderheid van de Nederlandse bevolking.

Echter, in al deze verbeteringen schuilt naar onze mening een gevaarlijke angel. Die angel zit hem in de vele vormen en varianten van beslismogelijkheden die de burger straks zullen worden voorgeschoteld. Naast de registratie blijft het codicil toch nog (een beetje) bestaan. En, omdat we weten dat veel mensen er de voorkeur aan geven hun wensen inzake donatie aan de familieleden kenbaar te maken, beschikken we straks over drie manieren om onze beslissing kenbaar te maken - registratie, codicil en de mededeling aan de familie - met elk een groot aantal mogelijke beslissingsvarianten. Deze overdaad zal straks de uitvoerbaarheid van de wet op de tocht zetten.

Immers, wanneer een arts eerst contact moet opnemen met de centrale registratie, daarna op zoek moet gaan naar een eventueel codicil, en ten slotte ook nog bij de nabestaanden moet navragen wat zij zouden willen - al dan niet gebaseerd op wat zij van de overledene hebben gehoord -, dan heeft menig arts het bijltje reeds lang erbij neergegooid. Zoveel is duidelijk teveel van het goede, zeker als de arts zich gaat realiseren dat er wel eens tegenstrijdige uitspraken tevoorschijn kunnen komen: een positieve registratie, maar een codicil waarin donatie wordt afgewezen, en daarenboven nabestaanden die het met elkaar oneens zijn, et cetera.

Wanneer het systeem van de minister tot wet is verheven, zullen veel Nederlanders de volgende redenering volgen: “Als ik bezwaar heb moet ik dat registreren. Na mijn overlijden zal er dan niets worden uitgenomen. Als ik donor wil zijn kan ik mij de moeite van het registreren besparen en ik hoef al helemaal geen codicil te dragen. Uiteindelijk hebben mijn nabestaanden het laatste woord. Als ik het mijn familie gemakkelijker wil maken, dan breng ik hen nu alvast op de hoogte van mijn wens. Te zijner tijd zullen ze dan 'ja' kunnen zeggen op de vraag die aan hen gesteld zal worden. Hebben ze het daar op dat moment heel erg moeilijk mee, dan kunnen ze hun instemming/ toestemming onthouden. Het ziet er niet naar uit dat ik dat laatste kan voorkomen, noch met een codicil, noch met registratie.”

Met andere woorden: al heel snel zal bekend raken dat registreren overbodig is voor hen die positief staan tegenover donatie of de beslissing willen overlaten aan de nabestaanden. Van belang is en blijft dat men zijn nabestaanden heeft geïnformeerd, en dat is ook waarop voorlichting zich moet richten. Daarmee komt dan de zin van de uitgebreide registratie te vervallen. Alleen de mogelijkheid van het registreren van een bezwaar blijft echt noodzakelijk.

Een transparante oplossing waarin de centrale eisen (zelfbeschikking, orgaanopbrengst en rol van de nabestaanden) evenwichtig vorm krijgen, is daarom gelegen in een vereenvoudiging van het systeem van de minister: alleen registratie van bezwaren, en consultatie van de nabestaanden wanneer geen bezwaar is geregistreerd.

    • Die Ook bij Dit Instituut Werken
    • Mr. Dr. J.E.M. Akveld
    • D.J. Hessing