Oefeningen in geloofwaardigheid; Verrassingen op het Internationale Theaterschool Festival

Antigone is nog te zien 29/6 Openluchttheater, Bloemendaal. Het Festival duurt voort t/m 30/6. Inl. 020-623 59 96.

AMSTERDAM, 26 JUNI. Het tiendaagse Internationale Theaterschool Festival in Amsterdam, dat tot 30 juni duurt, bleek de afgelopen vijf avonden voor drukbezochte voorstellingen te kunnen zorgen, gevolgd door levendige, zinvolle nabesprekingen en enkele opvallende ensceneringen. Woensdagavond zong Gerrie van der Kleij op het Nesplein het openingslied van het festival, Ich weiss, es wird einmal ein Wunder gesheh'n. Zarah Leander in Amsterdam, helemaal in stijl, zwarte make-up, hol-smachtende ogen. Dat Wunder uit het lied is dat twee gelieven elkaar ooit weerzien, hoe dan ook, wanneer dan ook. Het wonder van dit festival is dat er op verschillende lokaties, van de Nes tot en met Bellevue aan de Leidsekade, een koortsachtige theatrale drukte is te bespeuren. Dans uit binnen- en buitenland, onder andere Syzygie van de Folkwang-Hochschule uit Essen, toneel, zelfs zogenaamd jazztheater van Rick Odums.

De acteurs en regisseurs om wie het draait zijn zojuist afgestudeerd aan verschillende toneelscholen in Nederland en België. Een enkeling onder hen heeft al een aanstelling bij de grote repertoiregezelschappen, anderen beginnen zelf een gezelschap of sluiten zich aan bij kleinere groepen. Ze moeten de wereld in.

Opvallend is meteen de keuze van het repertoire. Herinner ik me van andere festivals de overdaad van zelfgemaakte of uit verschillende windstreken bijeengesprokkelde voorstellingen, nu is het alles klassiek en allerklassiekst dat de klok slaat: De Mensenhater van Molière, Oidipoes en Antigone van Sophocles, Bedrog van Pinter, Fool for Love van Sam Shepard en, alsof er niets aan de hand is, Zeven Koningen, een twee uur durende samenvatting van de zeven grote koningsdrama's van Shakespeare, toe maar, Richard II en III, Henry IV tot en met VII plus King John. Ooit zag ik deze marathon door een Engels gezelschap verspreid uitgevoerd over drie dagen, een eindeloos durend schouwspel, nu speelt de Hogeschool voor de Kunsten uit Arnhem de reeks van moord en doodslag in het tijdsbestek van een korte avond.

Als geen andere vertoning op het festival laat deze Zeven Koningen zien welke verworvenheden het theater zich de afgelopen jaren heeft eigen gemaakt. Regisseurs Waas Gramser en Kris van Trier stormen niet de toekomst tegemoet, maar kiezen heel eclectisch voor een stijl boordevol herkenning. Ze kijken terug. Zo vertelt een actrice aan het hoe duizelingwekkend ingewikkeld de verhoudingen wel niet zijn in Engeland voor de Elizabethaanse tijd, die van de Rozenoorlogen. Rood tegen wit. Het ene huis tegen het andere. Richard III tegen Edward, Wales tegen York, de demonische Richard II tegen allen. Ze ontspoort, welbewust. Het gaat dan ook niet om het verhaal, het gaat om de acteurs. In een brutale mengeling waarin we zowel Maatschappij Discordia als De Trust terugvinden, komt het relaas tot leven. Acteurs wisselen razendsnel van rol, verkleden zich ter plekke terwijl intussen de tekst doorgaat, ze zijn in hun volstrekte gebrek aan respect charmant - en ze overtuigen. Twee acteurs springen eruit, die Richard II en Bolingbroke spelen. Ze behandelen hun tekst alsof ze die vloed aan woorden ter plekke verzinnen, nee, uitdenken. Dat geeft een grote overtuigingskracht. Ondertussen staan ze geen ogenblik stil: ze gebaren wild, kruipen over de grond, eisen zonder respijt de aandacht van de toeschouwer. Flarden van jazz razen door de voorstelling. Het decor is een feestelijk ratjetoe van gordijnen en gevallen kledingstukken. De vileine tekst is schitterend. Zegt een actrice: “Mijn hart ligt op mijn tong.' Repliceert Richard II heerlijk subtiel: “Dan zijn ze beide vals.'

In de bekende stijl van historische kaalslag is ook de regie die Gijs de Lange maakte van De Mensenhater. Tegen een witte achtergrond staat daar een heel gezelschap gelaarsde, bepoederde en bepruikte zeventiende-eeuwers. Ze maken cabaret van Molière, en de vraag is of dat werkt. Afgezien van het spel van hoofdrolspeler Frank Lammers - nee. Het ligt aan de toonhoogte van de stemmen. Die is geforceerd hoog, te schreeuwend, te snel ook. Het is of de acteurs een oefening in speelstijl beproeven, een manier, in plaats van geloofwaardigheid na te streven.

Zo'n carrousel van voorstellingen leidt uiteindelijk tot één inzicht, alle theorieën over theater en de plaats of juist de afwezigheid van theater in de maatschappij ten spijt: het draait om dat acteursgeheim dat geloofwaardigheid heet. En die geloofwaardigheid hangt samen met stemgebruik. De rust die een acteur zich gunt, de betekenisvolle ruimte tussen de woorden, de stiltes. Ik was verrast door Antigone in de regie van Filip Fokkens, een eindexamenvoorstelling van de Amsterdamse regieopleiding. Naar vorm evenmin nieuw. Niets dan de speelvloer en het brandscherm van Bellevue. Wel met uitmuntende precisie gespeelde rollen van Annemarie Wisse als Antigone en Maarten Wansink als Kreon. Wansink was dreigend in de wijze waarop hij telkens 'toevallig' zijn paleis verliet en de zusjes Ismene en Antigone betrapte in hun gesprekken over het begraven van hun broer. Antigone begraaft hem waardig, tegen de wil van Kreon in. Daarom moet zij dood. Met die verbluffend gesloten redeneringen wierp Kreon een muur om zich heen op. Antigone gaat dood, en vervolgens Kreons zoon en zijn vrouw. In nog geen uur zijn we getuige van hoe Kreons ogenschijnlijk onwrikbare wereldbeeld aan diggelen gaat. Annemarie Wisse als Antigone is een ontdekking: roerloos doorstaat ze de beschuldigingen, armen gestrekt langs het lichaam. Met niets dan haar stem laat ze Kreon weten dat het haar plicht was haar broer te begraven. Geen opgeblazen wanhoop, geen grotesk verdriet, alleen de intimiteit van de taal. Toneelspel op de rand van het zwijgen. Mooier kan haast niet.

Ontbeerde Antigone elke symboliek, Oidipoes door de Studio Herman Teirlinck uit Antwerpen stroomde ervan over. De conclusie moet zijn: symboliek werkt niet op het toneel, of althans: nu niet meer. In een decor en enscenering, die sterk aan Dodenklas van Tadeusz Kantor doet denken, zitten de acteurs achter banken als in een tribunaal. Ze hebben een tekst geleerd. Die van Sophocles' Oidipoes. Slechts bij vlagen wint de tekst het van al te dwingende regiemiddelen, zoals het overbodige gebruik van de microfoon.

In speelstijl en enscenering kon ik weinig vernieuwing ontdekking op dit Theaterschool Festival. De stijlen die het Nederlandse toneel kenmerken hebben alle hun representant gevonden. Ingetogen versus explosief, hilarisch tegenover ingebeeld, razendsnel naast weloverwegen. Als acteren hardop denken wordt, zodat de toeschouwer niet luistert naar een uit het hoofd geleerde les, als acteren dus is zoals die twee voortreffelijke acteurs uit Zeven Koningen of Annemarie Wisse en Maarten Wansink uit Antigone, dan ontstaat er spanning en verrassing, dat wonder uit het lied van Zarah Leander.