'Kolonialisme was racisme'

Kolonialisme en kapitalisme hoorden als een eeneiige tweeling bij elkaar. Toch heeft het de Leidse jurist Willem Frederik Wertheim, die in 1931 als bestuursambtenaar naar Nederlands-Indië ging en al spoedig hoogleraar aan de rechtshogeschool in Batavia werd, bijna tien jaar gekost om tot de ontdekking van dat tweelingschap te komen. Toen het zo ver was, leidde dat bij hem niet alleen tot de veroordeling van het kolonialisme, maar ook tot de afwijzing van het kapitalisme. Ook toonde Wertheim toen hij gedurende de oorlog in een interneringskamp zat, voor het eerst de moed zich socialist te gaan noemen.

In het laatste jaar van de oorlog was Wertheim geïnterneerd in het mannenkampcomplex Baros, niet ver van Bandoeng. In dit complex waren vanaf oktober 1943 mannen en jongens uit diverse Bandoeng-kampen bijeen gebracht. In juli 1944 kwamen er nog zeventienhonderd geïnterneerden bij. De Japanse commandant meende: “Jullie zijn als snippers papier weggewaaid door de wind. Als jullie sterven is daar niets aan te doen. Het is de natuurlijke gang van zaken.”

“Wij hadden”, vertelt de 88-jarige die van 1946 tot 1972 hoogleraar in de moderne geschiedenis en de sociologie van Indonesië was, “werkelijk een heerlijk leven in Nederlands-Indië, ook al waren mijn vrouw en ik geen echte kolonialen. Voor de oorlog wist ik al dat iedere Indonesiër nationalist was, zij het op heel verschillende manieren. Toen in 1940 in Nederland de oorlog uitbrak, ben ik geleidelijk steeds linkser geworden. Dat gebeurde vooral in het eerste 'prominentenkamp' waar ik zat. De mannen daar waren voor het grootste deel bestuursambtenaren en beslist niet van die reactionaire koloniale types. Maar dat ik het Indonesische vrijheidsstreven serieus nam, daar begreep men echt níets van. Een uitzondering was de kinderarts Jaap de Haas, de latere oprichter van het Medisch Comité Nederland-Vietnam. Van hem heb ik erg veel invloed ondergaan. Dus was ik er ook beslist niet stomverbaasd over hoe het er voor stond toen de oorlog voorbij was. In het kamp hadden we heel wat berichten binnen gekregen over wat er onder de Indonesiërs politiek gaande was. Dat we buiten het kamp op straat zoveel anti-Nederlandse leuzen kregen te zien, was geen verrassing.”

Wertheim heeft in zijn leven meer revoluties meegemaakt. De eerste was de Russische omwenteling in 1917. Hij was toen tien jaar en woonde met zijn ouders in Petersburg. “Het gekke was dat die revolutie door de buitenlanders onder wie wij verkeerden, helemaal niet serieus werd genomen. Het burgerlijke establishment had van de betekenis van wat er gebeurde, niet het flauwste benul. Men dacht dat het alleen maar om een korte onderbreking van het oude leventje ging. In Indonesië precies zo. Men begreep en zag niet wat er in de lucht zat.”

Prof. Wertheim constateert dat de interneringskampen ondanks alle misère, onzindelijkheid, schamele maaltijden, het geweld en de scheiding van het gezin, ook plekken van studie en rustige gesprekken waren. Al snel kwam er bij sommigen iets van bezinning op het koloniale verleden, iets van begrip voor de Indonesiërs en soms ook iets van schaamte over wat in het koloniale verleden niet goed was gedaan. Er ontstond een sfeer van: we moeten het beter doen dan vroeger. Allerlei plannen werden geboren en besproken. Men sprak van opvoeding van de Indonesiër tot zelfwerkzaamheid, maar dat de Indonesiër het zelf wil doen, zelf de leiding wil nemen, zo ver ging de Nederlandse fantasie niet.

Voor de oorlog had de Nederlandse koloniale samenleving in Indië “al op drie vulkanen geleefd”. In de eerste plaats die van de oorlogsdreiging in Europa en dan de dreiging van het Japanse imperialisme. Van die twee vulkanen was men zich nog wel bewust, maar niet van de derde: het Indonesische vrijheidsverlangen. Daar begrepen de meeste Nederlanders niets van. Misschien kwam dat ook wel doordat het “koloniale denkwijze heel gewoon was. Niemand schaamde zich daarvoor en tot 1930 kon je je als fatsoenlijk mens ook rustig racistisch uitlaten. Pas door Hitler is dat veranderd. Ik moet wel zeggen dat het koloniale systeem een absoluut racistisch systeem was. Dat ging niet alleen tegen de inheemsen die toen nog 'inlanders' werden genoemd, ook tegen Chinezen en Japanners. Ook over hen werd met veel neerbuigendheid gesproken en gedacht. Van deze hoogst elitaire visie, ben ik mij pas bewust geworden toen ik na de oorlog socioloog werd.”