Hoe moet het eigenlijk; Shakespeare lezen

Een Engelse schooljongen heeft onlangs naamloos naam gemaakt door op zijn eindexamen te schrijven: “The Arden Shakespeare wrote many plays.” Het was hem niet duidelijk geworden dat 'the Arden' de bekendste geannoteerde uitgave van Shakespeares toneelstukken is (behalve de Penguins, kortaf en handig, die minder aandacht vergen).

De eerste Arden was Hamlet in 1899; daar zijn de andere zesendertig stukken geleidelijk aan toegevoegd. Na de Tweede Wereldoorlog waren ze aan vervanging toe en zijn allemaal opnieuw uitgegeven, ieder met een commentaar door een andere geleerde. Vijfenveertig jaar later is het alweer zover: nu is Arden 3 begonnen met Henry V, Titus Andronicus en Antony and Cleopatra.

Er bestaan twee concurrerende edities, de Cambridge en de Oxford, soms vlugger en toneelbewuster, maar de Ardens zijn de meest gebruikte en makkelijkst verkrijgbare gebleven. Het zijn leeslustig uitziende boekjes, behalve voor lezers die schrikken van pagina's gemiddeld met een helft tekst en een helft voetnoten, en voorafgegaan door honderd pagina's inleiding. Zij zijn ongeschikte lectuur voor slaperige dagsluiting, maar zij eisen geen zware, meer een puzzelige aandacht. De eerste vraag is wat Shakespeare precies geschreven heeft: veel woorden zijn verkeerd overgekomen door toedoen van kopiisten of zetters, en de leestekens staan vaak verdwaald. Nadat die problemen opgelost zijn komt de vraag wat Shakespeare bedoelde met wat hij schreef. Soms zijn er toelichtingen nodig op zijn filosofie en zijn voorstelling van de wereld; vaak staan er formuleringen, zinswendingen, dubbelzinnigheden en verwijzingen naar onbekende toestanden die hun betekenis pas na weerstand prijsgeven.

Bij opvoeringen van Shakespeare is er voor gedetailleerde ontdekkingen geen gelegenheid. In het Nederlands wordt iets verduidelijkt maar nogal wat weggelaten, in het Engels blijven de ongewone woorden en zinswendingen zonder voetnoten onbegrijpelijk. Puzzelen is nodig, en het is verkwikkend werk al schiet het langzaam op.

Wie het nooit gedaan heeft zou het eens moeten proberen met een komedie als Much Ado About Nothing: niet te lang en goed overzichtelijk, met grappige opmerkingen die vandaag bedacht hadden kunnen zijn en dan origineel zouden klinken. De opheldering begint bij de titel, die waarschijnlijk voor de Elizabethanen meer betekende dan 'Veel leven om niets'; nothing werd uitgesproken als noting en dat kon in de betekenis verwerkt worden: veel drukte om dingen die onjuist waargenomen waren.

Het hoofdbestanddeel van het verhaal is de liefde van Beatrice en Benedick, die hun gevoelens eerst niet aan zichzelf kunnen toegeven en daarna niet meteen van harte aan elkaar. De drukte wordt verder veroorzaakt doordat Claudio van een huwelijk met Hero afziet als hem wijsgemaakt is dat zij het met een scharrelaar heeft gehouden; hij heeft het aan anderen te danken dat de kwaadsprekers ontmaskerd worden. Het hoogste woord bij die anderen voert Dogberry de gerechtsdienaar die onbekwaam omgaat met moeilijke begrippen: “O villain! Thou wilt be condemned into everlasting redemption for this.”

Dogberry is makkelijk te volgen. De lezer voelt zich meteen zijn meerdere, maar dat lukt vaak niet met betere sprekers, zoals met Beatrice wanneer zij twijfel aan Benedicks militaire prestaties uitdrukt in: “... how many hath he killed? For indeed I promised to eat all of his killing.” Tientallen malen moeten onervaren Shakespeareanen in de loop van de tekst scherp remmen voor zulke formuleringen, waarvan de strekking ongeveer duidelijk is maar niet waarom het er zo staat: en de voetnoten nemen de tijd. Tegen het eind wanneer alles terechtkomt en de huwelijken geregeld worden lijkt de tekst makkelijker; en dan verschijnt de breedste hindernis van alle. Roep Beatrice maar, zegt Benedick tegen Margaret, “I give thee the buckler”, en Margaret antwoordt: “Give us the swords, we have bucklers of our own.” Bucklers zijn kleine schilden; daarmee is de betekenis van deze dialoog niet bij benadering opgehelderd.

Wat blijkt: er worden weer eens schuine grapjes gemaakt, een genre waar Shakespeare van wemelt. Er bestaat een apart woordenboek voor, Shakespeare's Bawdy van Eric Partridge. Zelfs met de hulp daarvan toegevoegd aan de voetnoot blijft dit een passage die een minuut of tien uitzoeken nodig heeft, want de logica klopt maar half en de lezer moet zich voorstellen dat de tijdgenoten die de dubbelzinnigheden doorzagen zich van onnauwkeurigheid weinig aantrokken.

De tien minuten worden ruim beloond. Een lezer die de ingewikkelde grapjes van Shakespeare ontcijferd heeft begrijpt zijn stukken beter dan een toeschouwer die alleen volgt waar ze heengaan. Doodeenvoudig wordt het niet. De Elizabethanen moeten meer gevoel gehad hebben voor woord- en gedachtenspelletjes in het theater dan wij late twintigste-eeuwers. Hun intellectuele energie raakte niet zo gauw op. Het is de moeite van het langzaam lezen waard om ze te leren kennen.