Getreur over grandeur

Zo zijn we weer terug bij af: Frankrijk als wereldmacht en Nederland als wereldverbeteraar. Vanuit Cannes heeft de Nederlandse premier het voortouw genomen bij het protest tegen het Franse voornemen om kernproeven te houden. Het verzet daartegen is meer dan gerechtvaardigd, maar heeft wel tot gevolg dat na een korte periode van aarzelende toenadering de klassieke rolverdeling tussen beide landen is teruggekeerd. Nee, Chirac maakt het de francofiel niet gemakkelijk. En dat is jammer, want de ontdekking van onze overburen in het Zuiden moet doorgaan en bevrijd worden van de uitgesleten karikaturen, die wel heel bevredigend zijn voor ons zelfbeeld, maar tegelijk weinig produktief zijn.

De Gaulle typeerde Nederland ooit als 'petit pays mais une grande nation' - een klein land maar een grote natie. Daarmee doelde hij op de overlevingskunst van een van de historische naties in Europa die ondanks bescheiden afmetingen er toch in geslaagd zijn een onafhankelijke positie te behouden. Die waardering was niet wederzijds. In het Nederland van de jaren vijftig en zestig overheerste het wantrouwen jegens Frankrijk, dat men als de stoorzender bij uitstek zag voor goede relaties met de Verenigde Staten. Een afwerende houding die tot de dag van vandaag haar sporen nalaat.

Omdat het geheugen kort is lijkt het goed om eens enkele representatieve uitspraken over Frankrijk van de laatste decennia in herinnering te roepen. In een PvdA-rapport uit 1967 van Van der Stoel staat: “(...) wat de Franse president voorstaat is een beleid, dat berust op gevaarlijke illusies over Frankrijk's grootheid (...) en dat zich ten doel stelt een onzinnige en voor het gehele Westen schadelijke frontvorming van 'Continentalen' tegen 'Angelsaksen' tot stand te brengen”.

In een studie van de Atlantische Commissie (voorjaar 1993) lezen we onder meer: “Nu er geen glorieuze vooruitzichten zijn en de beginselen van zijn buitenlandse politiek behoorlijk aan het wankelen zijn gebracht, lijkt de Franse diplomatie niet op haar gemak en kronkelt en draait in vergeefse pogingen haar greep op de Europese zaken te houden”.

Al deze oordelen demonstreren vooral de onwil om over de beweegredenen van Frankrijk na te denken. De voortdurende kritiek in Nederland op de politiek van Frankrijk ziet de grote lijnen over het hoofd. Deze getuigen, op basis van een nadruk op nationale onafhankelijkheid, van een sterke internationale betrokkenheid. Misschien geldt voor Nederland wel het omgekeerde: achter het geprononceerde internationalisme, gaat niet zelden een verlangen naar afzijdigheid schuil.

Het is niet overdreven om te zeggen dat de Europese Gemeenschap voor alles is voortgekomen uit initiatieven van Frankrijk. Voorts hoeft ondanks alle kritiek op de Verenigde Staten uiteindelijk geen twijfel te bestaan over de Franse steun op belangrijke momenten, zoals de Cuba-crisis en de Golfoorlog. Toen de oorlog met Irak onafwendbaar bleek namen Franse lucht- en landmacht deel aan de gevechten, wat toch echt iets anders was dan de zijdelingse Nederlandse betrokkenheid. Meer in algemene zin draagt geen land zoveel bij aan de vredesmachten van de Verenigde Naties als uitgerekend Frankrijk.

De Amerikaanse politicoloog Stanley Hoffmann heeft de drijfveren van Frankrijk goed onder woorden gebracht: “Frankrijk wil zijn onafhankelijkheid benadrukken. Maar daartoe ontbeert het eigen gewicht. Het heeft Europa nodig teneinde zijn macht te vergroten en als werkelijke drager van onafhankelijkheid”. Essentieel is dat elk begrip van Franse 'grootheid' niet buiten Europa kan. Het omgekeerde is ook waar: zonder de Franse gedrevenheid was Europa helemaal een politieke molshoop.

Wil Nederland ertoe bijdragen, zoals Duitsland steeds heeft geprobeerd, een Europese Unie te scheppen waarin voor dat streven plaats is, of ziet Nederland het als zijn voornaamste taak als hinderkracht te fungeren ten opzichte van de Franse politiek in Europa? De huidige Nederlandse regering lijkt in te zien dat voorzetting van het overgeleverde wantrouwen tot niets leidt en het was niet toevallig dat één van de eerste bezoeken richting Parijs ging.

Nu vormen het drugsbeleid en de kernproeven zware obstakels en zijn de relaties opnieuw slecht. Desondanks moet Nederland zich afvragen wat het zwaarste weegt, zeker nu onder de nieuwe president Chirac de scepsis over Europa lijkt te zijn toegenomen en langzaam toenadering tot Groot-Brittannië wordt gezocht. Mocht de Europese Unie in het teken komen de staan van een gebundelde Frans-Britse afgunst jegens het grotere Duitsland, dan heeft Nederland daar niets bij te winnen.

Het overtuigt niet te zeggen dat de politieke cultuur van Nederland en Frankrijk zo haaks op elkaar staan - grandeur tegenover pacifisme? of machiavellisme versus moralisme? - dat beide landen weinig met elkaar kunnen ondernemen. Het is waar, zoals staat in een discussiestuk over Frakrijk voor een seminar dat onlangs op Buitenlandse Zaken plaatsvond, dat “juist die overwegingen van grandeur betekenen dat Frankrijk de Europese Unie vaak op sleeptouw neemt op het wereldtoneel”. Dat bleek afgelopen weken weer eens in het voormalige Joegoslavië, waar Franse troepen als eersten de patstelling doorbraken.

Zeker heeft die grandeur ook zijn bedenkelijke kanten, zoals de hervatting van kernproeven door Frankrijk laat zien. Het was overigens interessant om de liberale politicus Bolkestein, die zelf altijd graag De Gaulle aanhaalt als voorbeeld van daadkracht die Nederland niet zou misstaan, te horen klagen over het typisch Franse 'machismo' in deze kwestie. Dergelijk getreur over grandeur zouden we achter ons moeten laten. We zouden moeten vaststellen dat Europese politiek compromisvorming is tussen uiteenlopende belangen en ideeën. Dat is wat anders dan voortdurend te protesteren tegen het feit dat Frankrijk is wat het is, namelijk een grotere macht in Europa met een eigen politieke cultuur.

De veel aangehaalde stijlverschillen hebben alles te maken met het verschil tussen kleiner en groter in de Europese Unie. Wie gelooft in de gelijkgestemdheid van Nederland en Groot-Brittannië qua politieke cultuur, moet eens het vraaggesprek lezen met de voormalige EU-onderhandelaar David Owen (NRC Handelsblad, 10 juni). Diens scherpe oordeel over de opstelling van Van den Broek en Kooijmans - “onwetendheid en onwerkelijk moralisme” - doet vermoeden dat de wrijving van politieke culturen niet een exclusief Frans-Nederlandse aangelegenheid is.

Over het geheel genomen bestaat er weinig begrip in de ons omringende landen voor de politieke zeden, die hier door een meerderheid als normaal worden ervaren. Vooral het vele gedogen - van euthanasie tot drugs - wordt met argusogen bekeken. Nadenken over onze verhouding tot Frankrijk verscherpt het besef, dat de opbouw van 'Europa' niet gemakkelijk is te verzoenen met onze stijl van samenleven. Of zoals de Franse moeder van een in Amsterdam aan een overdosis gestorven dochter zegt: “Het is toch een ware schande dat een reus als Frankrijk lijdzaam moet toezien hoe een dwergje als Nederland door zijn eigenwijsheid de poten van onze maatschappij doorzaagt” (de Volkskrant, 24 juni). Grandeur kent vele gradaties.