Geluiden om Mozart heen; Lachenmann ondermijnt de muziek waarvan hij houdt

Concert: Radio Symfonie Orkest m.m.v. Nederlands Kamerkoor en Arditti String Quartet o.l.v. Hans Zender en Radio Kamerorkest o.l.v. Peter Eötvös. Programma: werken van Schubert, Lachenmann, Rihm en Zimmermann. Gehoord: 24, 25/6 Concertgebouw, Amsterdam.

Ondermijnend omgaan met waar je van houdt, om de waarheid ervan te behoeden. Voor de Duitse componist Helmut Lachenmann is deze schijnbare paradox de enige manier waarop we het luisteren naar muziek kunnen redden. Neem een klarinetconcert van bijvoorbeeld Mozart. We denken ernaar te luisteren, maar in feite horen we een fetisj, een verre echo van wat al lang niet meer als nieuw kan worden gehoord.

In Accanto. Musik für einen Klarinettisten, dat gisteravond tijdens het Holland Festival in de Amsterdamse Beurs van Berlage zijn Nederlandse première beleefde, heeft Lachenmann de gewenning aan de schoonheid van Mozarts muziek tot onderwerp gemaakt. Het Radio Kamer Orkest onder leiding van Peter Eötvös en klarinettist Eduard Brunner speelden geen tonen, geen melodieën, geen frases, maar maakten geluiden om de muziek heen. Wat klonk, waren toonloze blaasgeluiden, getrommel op de kleppen van de klarinet, nauwelijks hoorbare toonladderfiguren - om een paar voorbeelden uit de imposante verscheidenheid aan speelmanieren te noemen. Slechts enkele momenten was de 'echte' Mozart te horen, een flard muziek uit een luidspreker, alsof iemand snel de deur van een concertzaal opende en weer dichtdeed.

Ook in Tableau für Orchester en Tanzsuite mit Deutschlandlied, die door het Radio Symfonie Orkest onder Hans Zender werden uitgevoerd, wil Lachenmann de luisteraar opnieuw leren luisteren. Wat betekent het geluid dat je hoort als een strijker zacht langs een stemknop strijkt? De Tanzsuite, waarin het Arditti String Quartet zijn rol als sparring partner van het RSO met overgave vervulde, bevat brokstukken uit een vertrouwdere wereld, zoals maten uit het 'Deutschlandlied' en Bach-fragmenten, maar veel meer dan het ritmisch skelet is er niet van over. Het zijn nauwelijks herkenbare oriëntatiepunten in een schijnbaar vormloos, maar eindeloos gedifferentieerd akoestisch landschap.

Net als Lachenmann zoekt dirigent en componist Hans Zender naar wegen het overbekende als nieuw te kunnen beluisteren. Vorig jaar was zijn bewerking van Schuberts Winterreise te horen in het Holland Festival, ditmaal was het de beurt aan vier van Schuberts koorwerken. Zenders instrumentatie van de oorspronkelijke pianopartijen klinkt op het eerste gehoor als van Schubert zelf, maar verraadt een twintigste-eeuws gevoel voor klankkleur. Zonder deze prikkelende frictie tussen bewerking en origineel klonk Schuberts Ouverture im Italiänischen Stil bij het RSO eigenlijk een beetje saai.

Wolfgang Rihm verwijst in de titel van het gisteravond door Eötvös en het Radio Kamerorkest uitgevoerde La lugubre gondola/Das Eismeer naar een compositie van Liszt, maar zijn verwerking van de traditie is in dit werk, dat Rihm zelf omschrijft als een 'vijfde poging tot in memoriam' voor Luigi Nono, weer heel anders dan bij Lachenmann en Zender. Als Rihm een beeld oproept van de energie van twee enorme massa's die vrijwel bewegingloos op elkaar inwerken, is de verzonken pianomuziek van Liszt daarin nog slechts als vage herinnering aanwezig. Herinneringen die in het geconcentreerd gespeelde Antiphonen van Bernd Alois Zimmermann de vorm van gemurmelde citaten uit de wereldliteratuur aannemen. Taal voordat ze betekenis krijgt, ongeveer zoals Lachenmann pure klank aan een toon vooraf laat gaan.