Frisse ironie in Varkensgras; Verstoten Johanna K. verweert zich met explosievenbezit

Voorstelling: Varkensgras, door Theatergroep Hollandia. Tekst: Bouke Oldenhof; regie: Jolien Wanninkhof; toneelbeeld: Elian Smits. Spel: Marthe-Geke Bracht en Joy Hoes. Te zien aan de Varkensgrasdwarsweg, Westerland, Wieringen. T/m 2/7 aldaar, zo 15u. Res. 075-310231.

Johanna K. heeft echt bestaan. Ze was transseksueel, ze verzamelde bommen en granaten en ze woonde in de kop van Noord-Holland. Nu schittert ze in een locatievoorstelling van Hollandia. Varkensgras, dat volgens de makers gebaseerd is op berichten in kranten, speelt zich af op een plek waar Johanna zou kunnen hebben geleefd. Het is een plek waar je zonder detailkaart niet zo gemakkelijk komt.

Bij De Haukes, een gehucht op het voormalige Waddeneiland Wieringen, sla je rechtsaf totdat je aan een vaart komt die de grens met het nieuwe land markeert. Aan de flank van een helling is daar een tribune in elkaar gezet die uitzicht biedt op het water, op de geometrische patronen van de polder aan de overkant, op een dijkje en op een smalle strook eiland-land. Dat landje aan onze voeten is, in de voorstelling althans, volledig in beslag genomen door Johanna K. Ze woont er in een stel omgekieperde roeibootjes. Potentiële indringers worden op een afstand gehouden door een goed geoutilleerde veiligheidsdienst.

Die dienst bestaat slechts uit Johanna zelf: om de zoveel tijd gooit zij een paar handgranaten over het dijkje, ter afschrikking van de lui in de polder. Het landschap daar, weet zij, is 'recht en plat en nergens een heuvel of een bult of een berg'. De mensen hebben er 'rechte hoofden, steile gedachten en platte ogen': geen wonder dat ze Johanna niet begrijpen. Wij toeschouwers begrijpen haar wèl, want in een lange monoloog vertelt Johanna van alles over zichzelf.

Regisseuse Jolien Wanninkhof en tekstschrijver Bouke Oldenhof verdeelden die monoloog over twee actrices. De een (Marthe-Geke Bracht) spreekt een archaïsch Wierings dialect terwijl de ander (Joy Hoes) zich van een krom soort ABN bedient. Samen spelen ze de laaggeschoolde Johanna, het buitenbeentje van de streek, van jongs af aan gepest en gemeden omdat ze een meid was in een jongenslijf. Vanwege haar explosievenbezit, pure noodweer nietwaar, en haar als provocerend ervaren geslachtsverandering belandde ze in de gevangenis. Daarna ging ze nooit meer terug naar haar woning.

De voorstelling, de tweede in een reeks van vier nieuwe Hollandse drama's bij Hollandia, is opgezet volgens het beproefde stramien van de outcast die de pijn van zijn isolement probeert te verlichten door eindeloos richting publiek te praten. Uit de ensceneringen van de boerendrama's van Herbert Achternbusch bleek al dat Hollandia een zwak heeft voor personages die onder extreem primitieve omstandigheden het hoofd boven water weten te houden. Daardoor krijgen ze iets heroïsch, deze pechvogels die alleen zichzelf hebben plus de weerbarstige natuur om hen heen, deze vluchtelingen in eigen land die zich liever in leven houden met gestolen aardappels van het veld dan met de vorstelijke aalmoezen van de Sociale Dienst.

Maar de heroïek wordt ook weer gebroken, door een groteske speelstijl die veel weg heeft van een parodie op het volkstoneel. De twee Johanna's rollen net niet echt vervaarlijk met hun ogen, stampen net niet echt indrukwekkend met hun rubberlaarzen door de plassen en spreken het dialect net niet eerbiedig genoeg uit. Door die ironie blijft het Varkensgras fris.