Een traktatie voor op gezette tijden

Soms, als hij in een uitzonderlijk humeur is, wil de Amsterdammer zijn auto wel eens tot stilstand brengen voor een zebrapad, om een angstige en aarzelende bejaarde gelegenheid te geven over te steken. Natuurlijk stijgt nog hetzelfde moment achter hem het getoeter op van al die automobilisten die zich in hun redeloze haast belemmerd zien, maar de dankbare hoofdknik van de wandelaar wapent hem tegen hun woede. Een warmte welt in hem op alsof hij een royale giro naar een rampgebied heeft gestuurd of een kaart naar een vergeten familielid. De zekerheid: ik heb welgedaan.

Denk niet dat hij een modieuze moraalridder is, die terugverlangt naar de normen van de jaren vijftig. Dat is een benepen opvatting van toen-geluk-nog-heel-gewoon was. De warmte, die hij voelt als hij stakkers laat voorgaan, bestaat alleen bij de gratie van de ploertigheid van de rest van de weggebruikers - daar is hij zich zeer wel van bewust. Hij kan zichzelf op zo'n moment alleen wijsmaken dat hij een heilige is, omdat bij de anderen elk fundamenteel besef van beleefdheid ontbreekt. Dit is de grote stad; de grenzen van het fatsoen zijn hier pas het startpunt, vanwaar de ontdekkingstocht in het moderne leven begint.

Denk maar aan de relschoppers die de omgeving van het Leidseplein kort en klein sloegen na de overwinning van Ajax op AC Milan. Brave jongens die, op een enkeling na, de cel alleen van horen zeggen kenden. Wie hen bij de rechtbank heeft gezien, weet waarom ze niet op het platteland zijn gebleven die nacht, maar vanuit Lopik, Maastricht of Tilburg helemaal naar Amsterdam zijn gereden. Omdat ze veel te bang waren dat de lokale veldwachter hen met een simpele hoofdknik weer in het gareel zou zetten.

Ze wilden die nacht hun grenzen verleggen: 20 pilsjes naar binnengieten en dan een autootje in de gracht duwen. Een steen door de etalage gooien en daarbij juichen als Patrick Kluivert. Een halve liter Ouzo opdrinken en mensen van hun fiets slaan. Dat kon alleen in Amsterdam, dachten ze, omdat daar permanent carnavalsnormen van kracht schijnen te zijn. Ze hèbben het allemaal gedaan en voor de rechter hadden ze allemaal spijt en ze zouden het nooit meer doen - maar ze hebben een nacht echt geleefd, dat kon je aan hun opgewonden stemmen horen toen ze buiten de rechtszaal stonden.

Voor de grootstedeling is het simpel, die hoeft niet meer te bewijzen dat hij zich aan geen regel hoeft te storen. Het besef dat hij elke regel op elk door hem gewenst moment naast zich neer kan leggen, maakt hem te blasé voor voortdurende normovertredingen. Dat wordt sleur. Af en toe stoppen voor een rood licht, van de fiets stappen op de stoep, iemand laten voorgaan in de rij - dat kan hij op gezette tijden als een traktatie beschouwen. Dat is dan weer zijn opvatting van carnaval.

Maar er zijn grenzen, ook aan het sporadische genot van het fatsoen-buiten-de-normen. Zaterdag wandelde ik door de stad toen ik zag dat een wat oudere vrouw een gulden op straat liet vallen. Zij had alle aandacht op haar fiets gericht en merkte dus niet dat ze geld verloor. Ik zag het wel, zag ook uit de tegenovergestelde richting een man en een vrouw aankomen, van wie de man de gulden ook zag vallen en ook zag, dat ìk de gulden had zien vallen. Ik bukte me, raapte de gulden op en reikte hem de vrouw aan. “Kijk eens aan”, zei ze vrolijk. Ze lachte niet dankbaar, maar verbaasd, ongelovig. Een beetje schamper zelfs.

Ik keek om en zag de man zijn vriendin op mij attenderen. Zij draaide haar hoofd om en keek naar mij. Ze zag een aap die een kunstje heeft vertoond. Ik had hen niet herinnerd aan een ouderwetse deugd, ik was een kneus die voor een gulden had gebukt en hem daarna nog had weggegeven ook.