De Boer acht 'pijnlijke aanpassingen' in gedrag nodig

DEN HAAG, 26 JUNI. Na “een politieke en bestuurlijke veldtocht” waarin het directoraat-generaal milieubeheer ervoor heeft gezorgd dat de milieuproblemen “minder en hanteerbaar” werden, is het nu tijd voor een bezinning op de toekomst van het milieubeleid. Want terwijl voor de aanpak van bijvoorbeeld verdroging, vuile bodems en afval de nodige stappen zijn gezet, doemen nieuwe, “politiek en maatschappelijk gevoelige” problemen op.

Dat zei milieuminister De Boer vanmiddag ter gelegenheid van het vijftigjarig jublileum van het departement van VROM, in 1945 begonnen als het ministerie van openbare werken en wederopbouw. De Boer stelde daarbij dat het in 1971 in het leven geroepen directoraat-generaal milieubeheer “een moeilijke periode” ingaat, omdat door het afstoten van uitvoerende taken naar andere overheden het aantal milieu-ambtenaren af zal nemen. Maar, zei ze, “we zullen nog enorme inspanningen en creativiteit aan de dag moeten leggen” om de nieuwe problemen de baas te worden, door haar samengevat onder de noemers energie, biodiversiteit en ruimte.

Bij energie gaat het met name om de milieu-gevolgen van het gebruik van fossiele energie, in de vorm van de (toenemende) emissies van kooldioxyde (CO) en stikstofoxyden (NOx). CO wordt algemeen verantwoordelijk gehouden voor het broeikaseffect, NOx veroorzaakt verzuring. Biodiversiteit is nodig voor het instandhouden van de natuurlijke aanwas van vernieuwbare voorraden als vis en voedzame planten en staat tevens garant voor 'life support', biochemische processen als afbraak, regeneratie en zuurstofproduktie. De biodiversiteit neemt nog steeds af.

De beschikbare ruimte tenslotte wordt schaarser en gaat er ook in kwaliteit op achteruit, bijvoorbeeld door het beslag dat erop wordt gelegd door de almaar toenemende mobiliteit. Minister De Boer brak vanmiddag een lans voor een betere overdenking van nut, noodzaak en vormgeving van grote infrastructurele projecten. “Bij het eerste begin van de besluitvorming daarover zal de vraag gesteld moeten worden of die infrastructuur vanuit milieu-oogpunt verantwoord is en of er vanuit ruimtelijk perspectief wel mogelijkheden voor aanwezig zijn.”

Aan de toespraak van De Boer lag een document ten grondslag waaraan onder haar leiding de afgelopen maanden is gewerkt. Het moet richting geven aan de discussie over de nieuwe rol van het ministerie, nu het milieubeleid in de fase van de uitvoering terecht is gekomen. In het document staat dat aanpassingen in onze manier van leven, in de structuur van de economie en technologische innovaties nodig zijn, in antwoord op “problemen die ons dreigen te ontglippen”.

De minister tekende daar vanmiddag bij aan dat “veel milieuproblemen worden veroorzaakt doordat wij de beperkingen die de seizoenen in de natuur ons opleggen, of het feit dat een dag maar vierentwintig uur heeft, trachten te negeren”. “Bedrijven en individuen besteden enorme bedragen aan transport, reizen en vakanties. Dat heeft natuurlijk allemaal economische betekenis, maar de snelheid en massaliteit waarmee dat gebeurt legt een enorm beslag op het milieu en op de vaak schaarse ruimte in dichtbevolkte gebieden.”

Volgens De Boer zullen er “pijnlijke aanpassingen” nodig zijn in het gedrag van mensen, maar hebben aan de andere kant “ook in het verleden mensen getoond in staat te zijn anders te gaan leven, wanneer het bewustzijn was ontstaan dat dat nodig was”, waarbij zij verwees naar veranderingen op het gebied van sociaal verkeer en hygiëne. Doordat, aldus De Boer, “wij nu al weten wat de kern van onze problemen op de langere termijn is, kunnen wij ons instellen op die onvermijdelijke veranderingen”.

Aan het slot van het document wordt opgesomd waaruit dergelijke veranderingen zouden kunnen bestaan. Zo zouden op ruimtelijk gebied nieuwe vormen van openbaar vervoer moeten worden ontwikkeld, waarbij meer op het individu gericht vervoer mensen ertoe zou kunnen brengen de auto te laten staan. Nieuwe infrastructuur zou zo veel mogelijk ondergronds moeten worden aangelegd, iets waarvoor het rijk nu al reserveringen zou moeten maken.

Ook zouden er nieuwe vormen van energie moeten worden ontwikkeld, zou er een einde moeten komen aan de wegwerpconsumptie en zouden in macro-economische berekeningen de kosten van energie, biodiversiteit en ruimte moeten worden meegenomen. De opsomming is opgenomen omdat, aldus de minister, “het niet de bedoeling is dat wij met de uitvoering of de experimenten nog vijftien jaar wachten”.