Van vuurboren en wegwerpmachines

JOOP BROMET, AD & ALICE VAN WEERT: Van Tondeldoos tot Turbo

192 blz., geïll., V + K Publishing/Inmerc, Naarden, en Stichting Aansteker-Museum Nederland 1995, ƒ 69,50

Als het drijvende olieplatform van Shell was 'afgezonken' hadden we dat eigenlijk moeten vieren als een sensationele apotheose - en ook nu dit niet is gebeurd hoort daar een mengsel van feest en plechtigheid bij. Maar voor wat? Ik ben niet zodanig thuis in het verzameld werk van Marten Toonder dat ik mijn hand ervoor in het vuur zou durven steken, maar ik zou het meteen geloven als een deel zou zijn getiteld Heer Bommel en de Wegwerper. De Wegwerper stel ik me dan voor als een kruising tussen een mens en een breedgebekte parasiet die alles leegeet en leegzuigt en wiens spoor bestaat uit duizenden synthetische verpakkingen. De Wegwerper neemt alles en hecht zich aan niets. Bommel, de ouderwetse heer, vraagt hem of hij geen idealen heeft, geen hoger wezen kent dat hem de weg wijst. De Wegwerper kijkt verbaasd. Natuurlijk heeft hij dat. Hij offert, goed beschouwd zijn hele leven. Aan wie? Aan de Lekkervoeler. Het hoogste doel is zo te worden als de Lekkervoeler.

Waarschijnlijk zou er in de geschiedenis van onze beschaving nog niet zoiets omvangrijks zo bewust en met zoveel onweerlegbare beredeneerdheid zijn weggeworpen als de Brent Spar, en het heeft maar een haar gescheeld. Duizenden dingen zijn achterhaald door de geschiedenis, de techniek; ze staan in de weg, worden opgeofferd of vergeten. Dit is iets anders. Hier is een monument van vernuft waardeloos verklaard. Het zou niet eens zijn 'recycled', maar - als Shell en de Britse regering hun zin hadden gekregen - zonder verdere plichtplegingen afgezonken, zoals het wegwerpen wordt genoemd van iets dat al in het water ligt. Waarom is dat opmerkelijk? Omdat bij die omvangrijke gebeurtenis geen enkele vorm van ritueel meer te pas komt.

Het is anders gelopen. Slopen valt nog te beschouwen als een destructieve vorm van bewaren; er komt vakmanschap en, paradoxaal, zorgvuldigheid aan te pas. Er zit een zeker ritueel van een traditie in. Wegwerpen is een a-rituele handeling; kil en snel.

De eerste en kleinste voorloper van de Brent Spar is de ballpoint, schrijfgereedschap dat 'op' raakt waarna je er niets meer mee kunt doen, hoewel het er nog bruikbaar uitziet. Ze kwamen kort na de oorlog. Ik kon er niet aan wennen. Nog jaren heb ik lege ballpoints bewaard (die dan vanzelf 'weg' raakten nadat ze op waren. Dat is de eigenschap van veel dat op is: het verdwijnt vanzelf). Toen kwamen de plastic verpakkingen van ijs; mooie kuipjes die je ook niet zomaar weg kon gooien, maar op den duur moest je wel. In de winter van 1956 zag ik ergens in Massachusetts in het bruin van het landschap een vaal witte vlek. Dat bleek een kerkhof van ijskasten te zijn. In het begin van de jaren zestig schreef Vance Packerd de eerste ecologische bestseller, The Wastemakers. Daarmee was het wegwerpen tot modern verschijnsel verheven.

Zo is het gebleven. Oude wasmachines staan bij het grof vuil en niemand protesteert. De Brent Spar is het ongeëvenaard grofste vuil. Het protest tegen het afzinken gaat niet tegen het wegwerpen op zichzelf, maar dient de bescherming van het milieu. Het is niet het afscheid van deze wondergigant dat de mensen bezorgd maakt, maar het vooruitzicht dat de zee wordt besmeurd.

Verpakking wegwerpen is nog tot daar aan toe. De eigenaar van 't bos mochten niet de lege schillen en de dozen worden gelaten. Maar gereedschap dat honderden malen zijn bruikbaarheid heeft bewezen, dat naar je hand is gaan staan, of omgekeerd? Als je zoiets wegwerpt: is dat geen afscheid dat meer telt dan het weggooien van een schil?

Schoorsteentje

Het is een lange inleiding maar zo kom ik op de aansteker. Mijn moeder had een langwerpige geëmailleerde die naar een mengsel van benzine en parfum rook. Heel af en toe stak ze een Egyptische sigaret op en pufte er wat onhandig aan. Roken was niet haar verslaving, haar aansteker een zorgvuldig onderhouden stukje gereedschap. In de oorlog begon ik te roken. De standaard-aansteker was een cilinder gevuld met watten waaromheen een lont was gewikkeld. Aan de bovenkant was de vuurmachine ondergebracht: het wieltje dat door een veer tegen de vuursteen was geklemd en dat de vonk voortbracht waardoor de lont ging branden. De vlam werd beschermd door een langwerpig geperforeerd schoorsteentje dat weer omgeven werd door een huls die je op een neer kon schuiven, al naar gelang de windkracht dat eiste. Méér aansteker dan deze machine is er niet. Nooit zou ik op de gedachte zijn gekomen zoiets weg te werpen.

Later heb ik de variaties gezien: de koperen aansteker uit de Eerste Wereldoorlog die ontworpen is in de stijl van de wapens uit de loopgraaf en die nu nog in KLM-vliegtuigen voor ƒ 29,50 in replica belastingvrij te koop is; en de Zippo, de eenvoudigste, onovertroffen vuurmachine van de onoverwinlijke Amerikaanse soldaten. Zippo never fails, van Bastogne tot Danang. Exemplaren van al die typen aanstekers zijn mijn eigendom geweest, sommige heb ik nog, en nooit heb ik er een seconde over gedacht zo'n vuurmachine weg te gooien.

Nu is er een boek verschenen, Van Tondeldoos tot Turbo, Historie en magie van de aansteker, door Ad en Alice van Weert met tekst van Joop Bromet waarin een schat aan wetenschap over de aanstekers is opgehoopt. Zoals dat gaat met mensen die een boek schrijven over het onderwerp dat ze met hart en ziel zijn toegedaan, zijn deze drie geneigd de wereldgeschiedenis tot die van de aansteker terug te brengen. Zo wordt in de inleiding al teruggegrepen op de klassieke vuurbedwingers (“Een van de bekendste is wel Prometheus”, pag. 10) waarna de Chinezen en oude Grieken aan de orde komen.

Al vlug daarna komen de auteurs ter zake. In hoofdstuk twee worden de tondeldozen, vuurpotten, vuurboren (welke jongen heeft niet eens geprobeerd een vuurboor te maken?) en tondelpistolen behandeld, maar we zijn nog niet in de moderne tijd die wordt gekenmerkt doordat men als het ware het vuur uit zijn zak kan toveren. Die is dicht genaderd in hoofdstuk drie als de lontaanstekers een omhulsel krijgen dat al sterk aan het nu gebruikelijke doet denken. De Zweedse hoogleraar Gustaf Erik Pasch maakt de eerste veiligheidslucifers met een kop van rode fosfor. De constructie wordt verder tot onwikkeling gebracht door ir. John Edvard Lundstrom die er op de wereldtentoonstelling van 1855 in Parijs het middelpunt van de belangstelling mee is (Jammer dat het boek geen afbeelding van een doosje Zwaluw-lucifers heeft. Daar staan de medaljes op).

In hoofdstuk 4 zijn we waar we wezen moeten: De grote sprong voorwaarts die ons brengt in het tijdvak van de aansteker gevuld met benzine of gas. De auteurs ontplooien een zo overweldigende deskundigheid dat schrijver dezes, hoewel al een halve eeuw aanstekergebruiker, het niet meer kan beoordelen. Maar het blijft boeiend. Zo weet ik nu dat op de wereldmarkt der aanstekers een ontwikkeling gaande is geweest die we het best kunnen vergelijken met de bewapeningswedloop. Amerikanen, Japanners, Zwitsers en Oostenrijkers proberen elkaar de loef af te steken door telkens nieuwe ontstekingsmechanismen te bedenken. Al lezend zat ik verbluft van hun vernuft.

Maar toevallig of niet, na de val van de Muur beginnen de Amerikanen hun veiligheidseisen te verscherpen, terwijl daar het fundamentalisme tegen het roken tot een nationale beweging wordt. Daarvan voelt de aanstekersindustrie de weerslag. In dit standaardwerk wordt ook nog de Aziatische situatie behandeld. Daar wordt nog volop gerookt en dus aangestoken.

Het boek is niet het minst de moeite waard door een grote hoeveelheid prachtige illustraties. Het speet me dat ik mijn geribbelde oorlogsaansteker met schoorsteenschuif niet kon vinden. Er is een foto van een Zippo uit 1932, maar niet van een gewone wegwerpaansteker. Die wordt alleen in de tekst genoemd. Wilt u er een zien, zoek dan even op straat, en denk aan de Brent Spar.