TAFTA negeert de rest van de wereld

Een vrijhandelszone tussen Europa en de VS is zo gek nog niet, betoogde W.H. Weenink op 16 juni op deze pagina. Roy Denman acht dat een verkeerd middel.

De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken en diverse Europese politici hebben plannen geopperd voor een Noordamerikaans-Europese vrijhandelsassociatie. Het is niet moeilijk in te zien waarom. Het einde van de Koude Oorlog heeft de transatlantische banden verzwakt, het isolationisme is in Amerika in opkomst, het Amerikaanse zakenleven rich zich op de snelle groeimarkten van Azië.

Echter, dergelijke plannen kunnen maar heel weinig uitrichten. Acht grote onderhandelingsronden over de wereldhandel hebben sinds de Tweede Wereldoorlog het niveau van de protectie in zowel de VS als Europa op vrijwel alle terreinen zeer sterk verlaagd. Er zijn nog wel protectie-eilandjes, zowel in de industrie (textiel en staal, bij voorbeeld) als in de agrarische sector, maar zo kort na de moeizame onderhandelingen tijdens de Uruguay-ronde van de GATT zal men weinig gemotiveerd zijn voor nog verder gaande vermindering, laat staan totale afschaffing van protectie.

Bovendien werd in het interbellum de wereldhandel niet alleen gewurgd door tarieven en quota's, maar ook door een veelheid van discriminatoire bilaterale afspraken, die verwarrend en belemmerend op het handelsverkeer werkten. Daarom werden de naoorlogse handelsregels hecht gegrondvest op het beginsel van het multilateralisme.

In 1946 verlangden sommigen nog wel terug naar het bilateralisme. Maar het multilateralisme kreeg de overhand, en bewees zijn nut. De afgelopen halve eeuw zijn handelsbarrières op bilaterale basis in een gestaag tempo afgebroken, en ongekende groei van de mondiale handel en welvaart was het gevolg.

Uitzonderingen werden gemaakt voor vrijhandelszones en douane-unies. Van een totale vrijmaking van de handel tussen twee of meer landen verwachtte men dat er meer handel bij zou komen dan er verloren zou gaan. Iedereen zou profiteren. Ook dit had succes. Maar de redenering was dat vrijhandelszones op goede gronden beperkt zouden blijven tot buurlanden, zoals tussen de VS en Canada en binnen Europa.

Zou het verstandig zijn als de Europese Unie een vrijhandelsverdrag met India zou sluiten en de VS met Brazilië, waarbij Europese exporteurs zouden worden gediscrimineerd in het laatste en de Amerikanen in het eerste land? Dat zou een belangrijke stap terug zijn van het multilateralisme dat het fundament van de naoorlogse voorspoed is.

En wat zou een Atlantische vrijhandelsassociatie voor signaal afgeven aan de Derde Wereld? Dat 's werelds rijkste landen meer geïnteresseerd zijn in verdere vergroting van de eigen gezamenlijke rijkdom dan in openstelling van hun markten voor de ontwikkelingslanden, zoals ze over de jaren heen geleidelijk hebben gedaan?

Dan is er nog een interne Europese overweging. Een Brit die zich sterk maakt voor deze gedachte moet beducht zijn op zijn flanken. Want er zullen in Europa, en niet alleen in Parijs, stemmen opgaan die zeggen dat de Britten weer hun oude spelletje spelen: aanpappen met de Amerikanen en proberen de Europese Unie te verdrinken in een Atlantische vrijhandelsassociatie. De impopulariteit van de Britten in Europa is al zodanig dat zij die niet nog eens moeten vergroten door deze weg in te slaan en opnieuw te falen.

De verstandigste weg, die zowel de Europese Unie als de VS kunnen gaan, is steun te verlenen aan de pas opgerichte wereldhandelsorganisatie WTO, de resultaten van de Uruguay-ronde in de praktijk te brengen, te streven naar opruiming van de laatste obstakels op bepaalde terreinen en te blijven schaven aan alle barrières die de stroom van goederen en diensten nog in de weg staan.

Versterking van de Atlantische relatie is verstandig. Een vrijhandelsassociatie is daartoe het verkeerde middel.