Op de vlucht

Het gaat alleen maar over Hitler, het joodse complot en over eten'', zei de boekverkoper misprijzend. Het ging om Bobby Fischer - wie er wirklich ist - Ein Jahr mit dem Schachgenie, geschreven door Petra Dautov. Het geeft niet een geheel ander beeld van Fischer dan dat wat wij kennen. Je kan op grond van haar boek hoogstens zeggen dat het nog erger met hem gesteld is dan we al dachten.

Petra Dautov, getrouwd met de Russische grootmeester Rustam Dautov, was in 1988 nog het vrije meisje Petra Stadler en ging graag in op het advies dat Boris Spassky haar tijdens een teamwedstrijd van de club Solingen gaf, om een brief met foto aan Fischer te sturen. Kort daarna werd ze uit Amerika opgebeld. Bobby zelf! Het was vier uur 's nachts. Hij kwam snel terzake. “Ben je arisch?“ “Ik geloof het wel“, zei Petra beduusd. Niets stond een mooi contact meer in de weg. Korte tijd later vertrok ze op verzoek van Fischer voor een paar weken naar Los Angeles.

Bobby neemt haar mee naar een Japans restaurant en dan begint het. Petra blijkt vegetariër te zijn. Fischer is juist iemand die de hele dag enorme biefstukken verslindt, maar hij blijkt sympathie voor het vegetarisme te hebben.

Fischer: “Ik heb vaak geprobeerd om geen vlees meer te eten, maar het is nooit gelukt. Weet je, er wordt gezegd dat Hitler vegetariër was. Denk je dat dat klopt?

Petra: “Ik weet het niet zeker, maar ik geloof dat ik dat wel eens gelezen heb.“

Fischer: “Misschien is het niet waar. Stel je voor, ik zou ophouden met vlees eten en dan blijkt dat Hitler helemaal geen vegetariër was...“

De verblufte lezer denkt: stel je voor dat hij een van zijn ballen afsnijdt en dan blijkt dat Hitler er toch twee had.

Je kan na zo'n absurde conversatie weglopen, gillend van ellende of van het lachen. Je kan ook blijven, als een gehypnotiseerd konijn in de ban van het verbazingwekkende gedrag van de grootste schaker aller tijden. Petra bleef. Als ze het moeilijk kreeg, dacht ze aan de vele miljoenen in de wereld, schaakfans, organisatoren, journalisten, die haar zouden benijden als ze wisten dat ze omging met Fischer. Ze kreeg het vaak moeilijk. Iedere dag kwam Fischer met een nieuwe lading boeken over het joodse wereldcomplot. Uit andere bronnen weten we dat hij bij de antisemitische boekhandel korting had als grootverbruiker. Hou in hemelsnaam eens op over die joden, we hadden afgesproken dat we er nu even niet over zouden spreken, roept Petra boos. Fischer zwijgt. Het was inderdaad afgesproken. Hij is een tijdje stil en zegt dan: “Weet je, de zwarten, dat is wel een steeds groter probleem...“

Hij blijkt een goed contact met zijn moeder te hebben. Dat is vroeger wel eens anders geweest. Zijn zuster, bij wie hij een tijdje woonde, heeft hem het huis uitgezet, omdat ze ging trouwen met een jood (de parapsycholoog Targ, bekend uit de polemieken van Martin Gardner) en Bobby maar bleef zeuren dat ze haar ongeluk tegemoet ging. Maar ze is toch zelf ook joods? vraagt Petra. Naïeve vraag. Zijn moeder en zijn zuster denken dat ze joods zijn, maar ze vergissen zich volgens Bobby.

Petra gaat na een paar weken weer naar huis. Twee jaar later, in 1990, duikt hij opeens in Duitsland op. De schaakweldoener Bessel Kok heeft hem naar Brussel gehaald voor een paar gesprekken, en hem geld gegeven, zodat hij nu een tijd in Duitse hotels kan wonen. Bijna een jaar verblijft hij in het dorpje Seeheim, waar Petra woont, of in steden in de buurt, vaak verhuizend als hij denkt dat journalisten hem op het spoor zijn. Alle dingen die hij belangrijk vindt, sleept hij voortdurend met zich mee. Zo heeft hij altijd twee kleine televisietoestelletjes in zijn jas, waarvan hij de kwaliteit voortdurend vergelijkt. Het ene heeft een mooier beeld, op het andere kan je de armbewegingen beter zien. Petra begrijpt het niet goed. De armbewegingen? Het blijkt hem om de Hitlergroet te gaan. Hij is verslaafd aan de journaalfilms uit de oorlog die de Duitse televisie uitzendt.

Op een dag komen er belangrijke gasten naar Seeheim. Boris Spassky en Bachtiar Kouatly, een Libanees-Franse grootmeester en schaakorganisator. Ze bespreken de mogelijkheden om in Arabische landen geld te vinden voor een match Fischer-Spassky. Fischer bepaalt dat het wel minstens vijf miljoen dollar moet zijn, anders gaat het niet door.

In het boek The Inner Game van Dominic Lawson wordt Boris Spassky, een tijdje de trainer van Nigel Short, beschreven als een fel antisemiet, die Short tijdelijk meesleepte in zijn afkeer van joden. Het is een erg malicieus boek. Klopt het wat Lawson over Spassky schreef? Een Rusland-kenner zei me dat het inderdaad klopte. “Zijn moeder zag er erg joods uit en haar naam is het Russische equivalent van Sara Cohen, maar Boris zegt dat dat toeval is.“

Leuke gesprekken zullen dat zijn geweest in de pizzeria in Seeheim. De volgende dag vertrekken Spassky en Kouatly en ze laten de hotelrekening voor Petra achter. Je moet er wat voor over hebben om met de genieën om te gaan. Zo ook in de dagen dat de Golfoorlog net is uitgebroken. Fischer probeert een telegram aan Saddam te sturen waarin hij hem feliciteert met de bezetting van Koeweit en zegt dat Saddam de naam van Fischer voor propagandadoeleinden mag gebruiken. Als adres geeft hij het huisadres van Petra op.

In 1992 speelt Fischer zijn match tegen Spassky, inderdaad om vijf miljoen dollar. De Arabieren hadden er kennelijk geen zin in, het is de Servische bankfraudeur en illegale wapenhandelaar Vasiljevic die het grote gebeuren mag organiseren. Petra heeft dan al nauwelijks contact meer met Fischer, zoals bijna iedereen die een tijd met hem omgaat tenslotte aan uitputting bezwijkt.

Hij mag zo gek als een deur zijn, met stuitende nazistische ideeën, niemand lijkt ooit echt kwaad op Fischer te kunnen worden. In Amerika dreigt hem een gevangenisstraf van maximaal tien jaar wegens ontduiking van de sancties tegen Servië. Een Amerikaanse advocaat zei me dat Fischer daar makkelijk onderuit zou kunnen komen, als hij een afspraak met het ministerie van justitie zou maken. Schuld bekennen, een kleine boete betalen die makkelijk van de vijf miljoen af zou kunnen, dan was alles in orde. Fischer is wel de laatste die dat ooit zal doen.

Het boek van Petra Dautov maakt me niet vrolijk. Wat is er toch misgegaan? Ik ken Fischer uit Netanja 1968. Een toernooi in Israël. Fischer werd betaald door een Amerikaanse vereniging van vrienden van Israël. We gingen veel met elkaar om en ik zei dat ik had gehoord dat hij vroeger zo antisemitisch was geweest. Was dat waar? Fischer zei dat hij inderdaad antisemiet was geweest, maar dat dat stom van hem was. Bovendien, zei hij, hij was zelf half joods, hoe zou hij antisemiet kunnen zijn? Na het toernooi gingen we samen een paar dagen logeren op de kibboets van een andere deelnemer, Yakov Bernstein. Bobby omhelsde een paard en sprak het lieve woordjes toe en met mij speelde hij vele vluggertjes die hij allemaal won. Mooie tijden waren dat.

    • Hans Ree