Onafhankelijk tot het eind

YVES-MARC AJCHENBAUM: A la Vie, à la mort. L'histoire du journal Combat (1941-1974)

393 blz., geïll., Le Monde Editions 1994, ƒ 54,60

De geschiedenis van een Franse verzetskrant tijdens de Tweede Wereldoorlog wijkt niet verbazend veel af van de historie van een Nederlands illegaal blad. Weliswaar bestond er een aantal verschillen, zoals een afwijkend bestuur of een groter verspreidingsgebied, maar de overeenkomsten tussen de verzetspers in beide landen waren treffend: problemen om papier te vinden, effectieve produktiemethoden, een discrete distributie en het voortdurende gevaar om gepakt of verraden te worden. Bovendien diende de ondergrondse pers een gemeenschappelijk doel.

Dergelijke histories leveren meestal een fascinerend verhaal op, maar nog interessanter wordt het als het clandestiene orgaan besluit om na de oorlog legaal verder te gaan. Dan moet er een krant overblijven die aantrekkelijk genoeg is om een aanzienlijk abonneebestand of een levensvatbare verkoop te garanderen. Het Parool en Trouw naast perskanonnen als l'Humanité en Libération, zijn daarvan voor de hand liggende voorbeelden.

Eén van de beroemdste Franse verzetskranten die uiteindelijk het onderspit moest delven, was Combat. Ondanks haar krap drieëndertigjarige bestaan, was de krant getuige van enkele beslissende keerpunten in de recente Franse geschiedenis. Het relaas van deze legendarische krant is eindelijk volledig te boek gesteld door Yves-Marc Ajchenbaum. Daarvoor waren gedeelten te vinden in de gepubliceerde persoonlijke herinneringen van medewerkers of in Histoire générale de la Presse française dat in 1974 onder leiding van Claude Bellanger verscheen.

Hoewel Ajchenbaum met zijn publikatie een zinvolle aanvulling heeft gegeven op de Franse persgeschiedenis, laat hij er geen misverstand over bestaan waar zijn voorkeuren liggen. Het accent legt hij op de bezettingsperiode en de jaren dat onder meer Albert Camus redacteur was van Combat. Daarna worden zijn sprongen door de geschiedenis groter. Ook aan zijn aanvankelijk levendige stijl is dat te merken. Actualiseert Ajchenbaum eerst de geschiedenis door de lezer midden in de handeling te plaatsen en heen en weer in de tijd of naar verschillende plaatsen te schuiven, later wordt zijn pen beschrijvender. Verbindende commentaren tussen de gedeelten ontbreken echter en ook een slotbeschouwing laat hij achterwege.

Conflicten

Frankrijk, aan het begin van de bezetting verdeeld over drie zones, kende meer dan 1100 clandestiene periodieken, waaronder ook versies in het Duits, Italiaans, Spaans en Jiddisch. Combat ontstond uit het samengaan van de illegale bladen Verités (nieuwe titel van het landelijk verspreide Les Petites Ailes françaises) en Liberté. Het eerste nummer van Combat verscheen in december 1941 in een oplage van 6.000 exemplaren. De oprichters lieten zich voor de titel inspireren door Hitlers Mein Kampf en zouden zelfs nog even Notre Combat hebben overwogen. Een bizarre naam, maar wel toepasselijk, want de strijd zou de krant tot het einde blijven vergezellen.

De samenstelling van de redactie was niet bepaald een garantie voor een harmonieuze samenwerking. In het begin werden de kolommen gevuld door katholieke en protestantse intellectuelen, beroepsmilitairen, vrijmetselaars, anti-paapse socialisten en gevluchte joden. Conflicten zouden dan ook niet uitblijven. Was de inhoud van de eerste nummers nog geheel tegen de Duitsers gericht, vol met strijdlustig en vaderlandslievend jargon, maarschalk Pétain, de nog immer populaire held van Verdun, werd vooralsnog gespaard. Dat veranderde toen De Gaulle door Combat en Libération als leider en symbool van het Franse verzet werd uitgeroepen. Daarmee bepaalde Combat ook meteen een koers die het tot de bevrijding niet meer zou verlaten. De krant heeft zich enorm ingespannen om achter de figuur van De Gaulle de binnenlandse verzetspolitiek tot een eenheid te brengen, ook toen het latere Franse staatshoofd concurrentie kreeg van de door de Amerikanen gesteunde Giraud, die zijn hoofdkwartier in Algiers had opgeslagen. In een regelrechte politieke campagne die daarvan het gevolg was, stelde Combat zich vierkant op achter de rijzige gestalte van De Gaulle. Dat Stalingrad was gevallen en dat de Geallieerden al in Noord-Afrika waren geland, hield de redactie van de krant minder bezig dan wat er na de oorlog in Frankrijk moest gebeuren.

De krant, die in Lyon werd gedrukt, groeide enorm. De oplage steeg in 1944 tot 200.000 exemplaren, een aantal dat Combat later nooit meer zou bereiken. Lyon werd echter het toneel van een verwoede en verbitterde strijd tussen het verzet, de Franse militie en de Gestapo. Op 17 juni 1944 zouden de Sicherheitsdienst en de Franse militie de drukkerij vernietigen. Daarom vertrok de redactie naar Parijs.

Het leven in de Franse lichtstad was tijdens de bezetting nogal diffuus. Ook Ajchenbaum toont dat aan. Een verblijf in Parijs vereiste een zekere aanpassing aan de bezetter. Het zakenleven, de kunsten en de martelpraktijken: alles werd draaglijk gemaakt met champagne en fois gras. Vrijwel de gehele schrijvende intelligentie had boter op het hoofd waar het de collaboratie betreft. Hier voegde zich bij het journalistenteam Pascal Pia, die in de provincie de propaganda voor Combat verzorgd had. Het was Pia, bevriend met Eddy du Perron, die de pacifistische Camus overhaalde om voor de krant te gaan schrijven.

Na de bevrijding van Parijs op 21 augustus 1944 moest de krant een nieuwe koers bepalen. Combat had tijdens de bezetting 58 illegale nummers op haar naam staan en genoot een haast onverwoestbare reputatie. Het bleek moeilijk uit de handen van politici te blijven die de pers graag voor hun doel wilden gebruiken; ruim 73 procent van de Franse pers was gelieerd aan een politieke partij, veelal de communistische. Combat streefde naar een onafhankelijke beïnvloeding van het publiek, zonder politieke kaders. Die onafhankelijkheid zou duur worden betaald. Pia en Camus maakten een krant met een moralistische ondertoon die streefde naar journalistieke zuiverheid. Combat vormde in perskringen een buitenbeentje, begon steeds meer deel uit te maken van de Parijse microkosmos en verloor contact met andere delen van Frankrijk. Het lezersaantal zakte, maar het imago van de krant groeide enorm binnen de Seine-gordel.

Sartre

De opzet van Pia en Camus scheen in de eerste jaren te lukken. Vreemd is dat de krant buiten de debatten over het existentialisme bleef. Voor de verbale agitatie van Sartre - die tijdens de bevrijding van Parijs voor de krant door zijn levensgezellin Simone de Beauvoir een artikelenreeks liet schrijven die hij zelf ondertekende - had de redactie geen belangstelling. Wel verschenen er vele stukken over de verantwoordelijkheid van de schrijver in Combat.

In 1947 kwam de krant door stakingen en interne conflicten in moeilijkheden. Financiële hulp kwam van de Tunesische zakenman van joodse afkomst, Henri Smadja, die Combat wilde gebruiken als springplank voor zijn politiek-culturele aspiraties. Camus en Pia vertrokken, de krant zou nooit meer dezelfde worden. Met de komst van Smadja zet een neergaande lijn in en ondanks verwoede pogingen zou het Combat niet lukken haar publiek, voornamelijk bestaand uit oud-verzetsmensen en intellectuelen, uit te breiden. De volgende jaren werden gekenmerkt door een komen en gaan van journalisten. Steun aan de chef van het vrije Frankrijk, De Gaulle, tijdens de Algerijnse kwestie leverde niets op. Even wakkerde de belangstelling op toen de krant zich in 1968 achter studentenleider Rudi Dutschke schaarde, korte tijd werd Combat de krant van de revolutie. Maar ook het revolutionaire publiek liet de krant al spoedig na die gedenkwaardige zomer in de steek. De enige constante bleek directeur Smadja die de afgang tot het einde zou meemaken. In 1974 hield de krant uiteindelijk op te bestaan.