OESO heeft heel eigen 'onderbuikgevoel'

ROTTERDAM, 24 JUNI. Het gaat even ietsje minder met de wereldeconomie, maar straks gaat het weer uitstekend, zo luidde deze week de boodschap van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in haar halfjaarlijkse Economic Outlook.

Die constatering strookte, toen de inkt van de Outlook nog niet droog was, al niet meer het onderbuikgevoel in de financiële wereld. Steeds meer tekenen wijzen er op dat de huidige groeivertraging in de geïndustrialiseerde wereld sterker is dan uit de prognoses uit Parijs blijkt. Voor Europa houdt de OESO het op een economische groei van 3 procent dit jaar, maar analisten van de meeste banken zijn al terug naar 2,5 procent. De VS vallen volgens de OESO terug naar een economische groei van 3,2 procent, maar de 'markt' zit al ver onder de drie procent. En de 1,3 procent groei van de Japanse economie die Parijs voorziet (al teruggebracht van 2,5 procent in de prognose van een half jaar geleden) is ook al aan de hoge kant vergeleken met de sombere gedachten die leven bij banken en effectenhuizen. Die houden het op onder de een procent.

Drie regenwolken prijken aan de horizon voor de 25 leden van de OESO: een te snelle afkoeling van de Amerikaanse economie, de onzekere ontwikkeling van de consumptieve bestedingen in Europa en de gevolgen van een financiële crisis in Japan.

In de VS verkeert de verlangde 'zachte landing' van de economie in een cruciale fase. Steeds meer tekenen van een te sterke terugval van de economische activiteiten hopen zich op, en zelfs centrale-bankchef Alan Greenspan zei deze week in het Amerikaanse Congres dat de economische groei in het bijna afgelopen tweede kwartaal wel eens negatief zou kunnen uitvallen. Dat was een half jaar geleden nog onvoorstelbaar, toen de Amerikaanse economie nog met een groei van 5,1 procent vooruitstoof.

Terwijl in Europa het verrassende economische herstel van 1994 nog niet zo lang geleden in de prognoses voor dit jaar en 1996 werd doorgetrokken, lijkt het hoogtepunt van het feestje nu al weer bijna over: de groei in de Europese 'kern'-landen, gegroepeerd rond Duitsland zal, zo zijn de eerste tekenen, dit jaar terugvallen. Die omslag komt, in de woorden van de economen van ING, 'verbazingwekkend vroeg'. Niet de drie procent groei die voor bijvoorbeeld Duitsland werd voorzien, prijkt nu in de meeste spreadsheets van de onderzoekers, maar tussen de 2 en 2,5 procent.

De somberheid betreft vooral de landen in het Europese blok rond de Duitse mark: de sterke opwaardering van de valuta's van deze groep lijkt op een cruciaal moment de domper te zetten op wat een mooi economisch jaar moest worden. De exportgroei als 'haas' van het herstel dreigt door de sterkere munt en de terugvallende vraag in de Verenigde Staten te vroeg af te haken, voordat de binnenlandse consumptieve bestedingen voldoende aan kracht hebben gewonnen om de race op eigen kracht voort te zetten. De bestedingen zijn overigens ook in de rest van de EU een onzekere factor. De vraag is of de Europese werkgelegenheid in wat de huidige conjuncturele opgang zou moeten zijn, wel voldoende toeneemt om de consumentenuitgaven voldoende te laten stijgen. Tegelijk met het bevechten van de werkloosheid zijn de meeste overheden bovendien gedwongen hun te hoge tekorten terug te schroeven en de collectieve schuldenlast omlaag te krijgen en de loonstijging gematigd te houden. De pas aangetreden Franse premier Juppé is er naar eigen zeggen donderdag in geslaagd zijn begroting in zo'n bugettaire spagaatstand te manouvreren. Maar juist bezuinigingen en matiging dempen de bestedingsimpuls die de economie in deze conjunctuurfase op stoom moet houden.

De VS en Europa hebben dus reden genoeg bezorgd te zijn over de voortgang van de eigen economie. De diepte van het conjuncturele dal in de VS laat zich moeilijk voorspellen. Greenspan suggereerde deze week al dat het regisseren van een ”zachte landing” door middel van een keurig over de kwartalen uitgesmeerde groeivertraging een illusie is. De landing is, om in het Engels te blijven “bumpy”, maar hoeft daarom nog te resulteren in een crash. De EU moet volgens de meeste analisten rekening houden met een voortgaande economische groei in deze fase van de conjunctuur, maar wel op een lager peil dan gedacht. Het werkelijke gevaar ligt verder van huis, in Japan dat zich niet lijkt te kunnen herstellen van de val van de landprijzen en de aandelenkoersen sinds het begin van de jaren negentig. Sinds 1992 is de Japanse economie vrijwel niet gegroeid, de sterk gestegen koers van de yen treft de exportsector en nu dreigt Japan ook nog in een spiraal van dalende prijzen, dalende inkomsten en oplopende schuldverplichtingen te geraken. Stukje bij beetje wordt ook de omvang duidelijk van de oninbare schulden die de Japanse banksector al aan de bloeiperiode van land- en aandelenspeculatie en de daaropvolgende economische stagnatie had overgehouden. Omgerekend zo'n 700 miljard gulden bedraagt het officieel toegegeven bedrag, maar sommige schattingen gaan tot 2,5 maal zo hoog. Publiek en politiek verzetten zich tegen een grootscheepse reddingsoperatie voor de bancaire sector, die tot overmaat van ramp al extra in de problemen is door de sterk gedaalde aandelenkoersen, die in Tokio 20 procent lager zijn dan aan het begin van het jaar. Banken mogen de ongerealiseerde koerswinsten op effecten rekenen tot hun kapitaal. Nu het Nikkei-gemiddelde van Japanse aandelen met regelmaat zakt tot onder de 15.000 punten, is er volgens de meeste schattingen van enige koerswinst geen sprake meer. Bij een Nikkei van onder de 14.000 punten kalft het eigen vermogen van de banksector zelfs af.

De levensverzekeraars in Japen kampen vooral met de extreem lage kapitaalmarktrente waaruit zij de bulk van hun rendement halen. Die rente is vooral door het goeddeels ontbreken van verwachte inflatie gezakt tot rond 3 procent. Omdat de gemiddelde polis is afgesloten op een beloofd rendement van boven de vier procent en de instroom van nieuw afgesloten polissen ook nog opdroogt, krijgen de verzekeraars uit hun beleggingen minder geld binnen dan zij aan lopende verplichtingen hebben. Een deel van aandelenverkopen die de nikkei-index de laatste maanden naar beneden duwden is afkomstig van verzekeraars die kasgeld nodig hebben.

Daar ligt ook de directe lotsverbondenheid met het Westen: de volgende categorie Japanse beleggingen die zal moeten worden geliquideerd betreft volgens analisten het overzeese bezit. Mocht het tot een uitverkoop van Amerikaanse (en Europese) obligaties komen, dan komen de gevolgen voor de Westerse OESO-leden bijzonder ongelegen: de stijgende kapitaalmarktrente, die van de obligatieverkopen het gevolg zal zijn, is wel het laatste dat zowel de VS als Europa in deze precaire fase van hun conjunctuur kunnen gebruiken.