Nurks en de dorpsgek

Het lemma in de twaalfde herziene druk van de Grote Van Dale dat de combinaties met dorps- opsomt, beslaat 37 regels. Een dorpsonderwijzer is een onderwijzer aan een dorpsschool, verklaart het woordenboek. Dorpsdokter wordt niet toegelicht en ook dorpsgek spreekt volgens de redactie voor zichzelf. Ik verplaats me in het denken van professor dr. G. Geerts en dr. H. Heestermans. Ze overwegen: dorpsgek, een gek die in een dorp woont. Ze glimlachen. Nee. Ze gaan verder met de volgende combinatie: dorpsgemeenschap.

In vroeger tijden had ieder dorp zijn gek die zich onderscheidde door altijd hetzelfde te roepen, een waarheid, een inzicht dat door de dorpsgenoten af en toe in stilte werd gekoesterd. De beste beschrijving van het type is gegeven door Leo Vroman. Het was kort na de oorlog, de dichter die in Canada woonde, ging in Podium publiceren. Hij kende geen van de redacteuren persoonlijk en zoals dat dan gaat, hij maakte zich een voorstelling van hun uiterlijk op grondslag van hun naam. Eén redacteur heette Anne Wadman, de beroemde Friese letterkundige, romancier, dichter, didacticus en vertaler van o.a. Sartre in het Fries. Maar dat kon je destijds in Canada niet weten. Vroman stelde zich Anne Wadman voor als een oudere in jutezakken geklede vrouw die de hele dag met grote stappen door de dorpsstraat beende en met een knokige stok de pestende straatjeugd van zich af sloeg. Bij Belcampo komt ook een dorpsgek voor, Oom Gait met de Panne, die zich later als Napoleon ontpopt en dan door zijn indrukwekkende verschijning het dorp ervan overtuigt dat hij de keizer en veldheer zelf is. In veel mensen zit trouwens een Napoleon verborgen, maar aan de dorpsgek is de bevrijding van de metamorfose voorbehouden.

Gepest door de jeugd die van nature conservatief en conformistisch is en het uitzonderlijke niet duldt, en gerespecteerd door wat dichterlijker uitgevallen grote mensen, was de oude dorpsgek een sleutelfiguur in de oude dorpsgemeenschap. Toen kwamen de streekbus, het opvangcentrum en de hulpverlener. Iedere dorpsgemeenschap ontwikkelde een eigen zorgsector en daarmee was het met de dorpsgek als instituut gedaan. Af en toe kom ik er een tegen in de stad. Hij schudt zijn vuist tegen de gevels en verwenst de schepping. Ik kan het begrijpen maar als ik hem mijn bijval zou betuigen zou hij me verbitterd afwijzen. Hij kan en wil zijn inzichten met niemand delen.

De dorpsgek heeft iets groots, als Napoleon, als de wreker van alle onrecht of de nieuwe brenger van de universele liefde - altijd is hij aan het aards formaat ontstegen. Dat de anderen dit niet opmerken is hun schuld. We kunnen medelijden met hem hebben maar hij heeft veel meer medelijden met ons.

Nu is er nog iemand in de Nederlandse literatuur die het met wat meer doorzettingsvermogen en concentratie verder had kunnen brengen. Hij wordt omschreven als een onaangenaam Mensch in den Haarlemmerhout en heet Nurks. (Ook hier beperkt Van Dale zich. Een nurk wordt omschreven als een 'knorrig mens, syn. brompot, en voor nurks worden twee betekenissen gegeven: '[klanknabootsend gevormd nors] knorrig, onaangenaam, hatelijk: een nurks mens', en: 'nurks mens'. Over de klanknabootsing verkeer ik in het ongewisse. Het lijkt me een soort knor-geluid maar dan voortgebracht bij het uitademen. Nicolaas Beets die Nurks onsterfelijk heeft gemaakt, wordt niet genoemd).

Deze Nurks van Beets spreidt zijn ontevredenheid. Niets is goed, niets deugt, geen lachje kan eraf, zijn gezicht is verlijnd in zuur, hij zuigt azijn. Nurks voelt zich altijd aangevallen door het kleine onrecht, hij is de Pietlut onder de ideologen van het dagelijks leven. In de spiksplinternieuwe trein stoot hij zijn hoofd en leidt daaruit af dat de Spoorwegen niet deugen. Hij klaagt over de pit in de kers op het taartje. Als de trotse moeder voor het eerst met haar kind uitrijdt, wijst hij haar erop dat de wielen van de kinderwagen piepen. Bijna altijd heeft hij een verschrikkelijk gelijk, maar zijn gelijk is verschrikkelijk klein en bijna altijd op de verkeerde plaats en de verkeerde tijd de verkeerde mens aan het verstand gebracht. Toch kan ik ook die Nurks begrijpen.

Vergis ik me of zijn de Nurksen weer in opmars? Iedere tijd kweekt haar eigen extremen. Hoe het komt weet je niet maar soms komt een bepaald mensentype in de mode, maakt carrière dankzij één overheersende eigenschap waarvoor men dan ontvankelijk is. Iemand die nu bezeten is door een grootse visie en daarin anderen wil laten delen kan zich beter bedwingen. Een oud Sumatraans spreekwoord zegt: De miereneuker zal nooit de vader van een tijger worden. Daar zit iets in. Maar toch: kijk om je heen, naar al die gezichten die op ontevreden staan. Hoewel ze alles hebben zijn ze boos; op het onaanwijsbare denk ik.

Dit onderwerp blijkt ingewikkelder te zijn dan ik veronderstelde toen ik eraan begon. Als ik het nader onderzocht heb en mischien wat meer ontdek, zal ik het melden.