Na Bismarck ging het fout

KLAUS HILDEBRAND: Das vergangene Reich. Deutsche Aussenpolitik von Bismarck bis Hitler

1054 blz., Deutsche Verlags-Anstalt 1995, ƒ 162,55

In de visie van de Duitse historicus Klaus Hildebrand was Bismarck geen IJzeren Kanselier. Integendeel, de schepper van het moderne Duitse rijk dat na 74 jaar in een catastrofe eindigde, was een man die in zijn buitenlandse politiek voortdurend op zoek was naar allianties. Daarin was hij een virtuoos, zoals zijn opvolgers en tijdens zijn laatste jaren als kanselier zijn saboterende rivalen, grif toegaven. Voor hen was het spel met de vijf kogels (de vijf bepalende machten in Europa) veel te moeilijk.

Het Duitse rijk van keizer Wilhelm II ging met ferme schreden, maar zonder duidelijk omschreven doel op de eerste catastrofe af, die van de Eerste Wereldoorlog. Ruim twintig jaar later leidde de agressieve en persoonlijke buitenlandse politiek van Adolf Hitler tot een nieuwe catastrofe, in 1945 uitmondend in Stunde Null: het einde van het Rijk. Het jaar 1890 is een keerpunt. Anders dan Thomas Mann en de velen die de grote Duitse schrijver en denker hebben gevolgd, denkt Hildebrand niet dat de komst van het Duitse rijk op zichzelf tot die rampen had hoeven te leiden. Bismarck bewees immers het tegendeel?

Hildebrand beheerst de Duitse buitenlandse politiek en de literatuur daarover tot in de details. Zijn heldere schrijfstijl behoedt hem er bovendien voor in die details te verdrinken. Daarom kan Das vergangene Reich als een magnum opus worden beschouwd. Dat neemt niet weg dat juist de voldragenheid van Hildebrands kennis vragen oproept - het lot van wie veel vermeldt en tal van theses verkondigt.

De auteur heeft het bijna uitsluitend over Duitslands buitenlandse politiek. Overwegingen van binnenlands politieke of economische aard spelen slechts nu en dan een - ondergeschikte - rol. Bismarcks steeds wisselende stemmingen, zijn 'ravenzwart' pessimisme als het ging om een plaats onder de zon van het Duitse rijk, worden spannend beschreven. De kanselier was dagelijks gedetailleerd met de buitenlandse politiek bezig en men vraagt zich bij lezing af hoe hij nog tijd heeft kunnen vinden voor binnenlandse problemen.

Bismarck was er zich in hoge mate van bewust dat Duitsland als nieuwkomer weinig bewegingsvrijheid had in het Europese statensysteem. Hij kende natuurlijk zijn Machiavelli, maar het is typerend dat Hildebrand ook vaak met het voorbeeld van Metternich aankomt. Bismarck “was een staatsman die aan handelen in bescheiden mate de voorkeur gaf boven afwachten met vernietigende gevolgen, die een moeilijk te temmen stroom tegemoet trad met geduldige dammenbouw.” Doel was de Europese statenwereld de gelegenheid te geven te wennen aan de nieuwe orde, die door het stichten van het Duitse rijk rond Pruisen tot stand was gekomen.

Bismarck is de held in het doorwrochte verhaal, de kanseliers onder Wilhelm II kunnen niet in zijn schaduw staan. Zij geven de keizer ook te veel de gelegenheid een eigen buitenlandse politiek te bedrijven. Daartoe was de laatste regerende Hohenzollern intellectueel niet in staat en bovendien was hij niet op die taak voorbereid. Met de bouw van een vloot waarmee gewedijverd moest worden met het Verenigd Koninkrijk kwam de confrontatie met de andere grote landen onafwendbaar naderbij. Van toen af aan leek de politiek van het Duitse keizerrijk tot aan het bittere einde in 1918 op roulette met als inzet wereldmacht of ondergang.

Hildebrand analyseert nuchter dat achteraf de vrede van Versailles (1919) voor Duitsland nog meeviel. Het rijk ontkwam bij die opgelegde vrede die als dictaat werd gevoeld aan een deling zoals na 1945. De vervanging van het Russische keizerrijk door de Sovjet-Unie betekende bovendien dat die laatste staat in een isolement werd gedreven, zodat Duitsland zich gemakkelijker kon bewegen in een continent dat toch al aan nieuwe verhoudingen moest wennen.

De negentiende-eeuwse kabinetspolitiek waarin gekroonde hoofden nog een eigen rol speelden, was definitief voorbij. Over de noodzaak van continentale samenwerking in Europa - na de Tweede Wereldoorlog voortdurend actueel, ook in verband met de Koude Oorlog - werd in het interbellum nog nauwelijks gedacht. Ondanks het bestaan van de Volkenbond werd vooral aangeknoopt aan de gedachte van het negentiende-eeuwse 'Europees concert'. Onder Stresemann, minister van buitenlandse zaken van 1924 tot 1929, wist Duitsland zich in dat Europees concert redelijk te voegen. Maar na zijn dood en de vrijwel tegelijkertijd optredende economische wereldcrisis trad het herleefde Duitse rijk zijn meest radicale tijdperk binnen. Niet langer zouden volk en natie, maar Lebensraum en ras het beleid en dus ook de buitenlandse politiek bepalen.

De historicus Norman Rich heeft geschreven dat 'het racisme de rots is waarop de nazikerk is gebouwd'. Hildebrand schenkt aandacht aan het zogenoemde Tweede Boek van Hitler, dat van 1928 stamt en de strijd om de wereldheerschappij tegen de Verenigde Staten tot inzet heeft. Na de voorzichtige Bismarck werd onrust nu het kenmerk van de Duitse buitenlandse politiek. Hitler voerde deze 'ruïneuze onrust' door tot in het extreme.

Hildebrand veroordeelt 'de afschuwelijke tirannie' herhaaldelijk en omstandig. Zeker als hij rept van het optreden van het Duitse leger - zowel SS als Wehrmacht - tijdens de Russische veldtocht en van de Holocaust. Het optreden van het Duitse leger in de Sovjet-Unie noemt hij 'een racistische vernietigingsoorlog van ongekende kwaliteit'. Duitse critici hebben dat opmerkelijk genoemd, omdat Hildebrand in de zogenoemde Historikerstreit van de jaren tachtig onmiskenbaar aan de conservatieve kant stond, waarbij Hitler-Duitsland voortdurend werd afgezet tegen Stalins schrikbewind.

Dat neemt niet weg dat de schrijver wel erg apologetisch is over de Hitlers Duitse tijdgenoten. Hun onbegrip voor het gevaar van racisme en nazisme benadert hij, in een vluchtige passage, met vrijwel volledig begrip. Hier had de grote kenner van het jongste verleden kritischer moeten zijn - of er niet over moeten beginnen, omdat het buiten het kader van zijn toch al zo machtige onderwerp valt.

Dàt en de veel te lange epiloog, waarin nog eens de 'unvollendete Nationalstaat' onder de loep wordt genomen, maken Hildebrands magnum opus tot een beeldhouwwerk, waarvan de overdaad schaadt. Wat overblijft, is echter niet gering. Voor het eerst zijn de lijnen vanaf de stichting van het Duitse keizerrijk in 1871 tot de ondergang van het Derde Rijk in 1945 getrokken in een betoog waarin de logica het wint van ideologie.