Moeizaam ondernemerschap in een bedeleconomie; Tanzania koos pas na de ineenstorting voorzichtig voor de vrije markt

ARUSHA, 24 JUNI. Het kapitaal van Robert M.G. Nyirenda ligt op straat. Meisjes in witte stofjassen strooien op een grasveldje schoongewassen graankorrels uit over plastic zeilen. Als de zon schijnt is de oogst in anderhalf uur droog; als het regent ligt de handel stil. Want meelhandelaar Nyirenda mist eenvoudigweg het geld voor een installatie om zijn graan mechanisch te drogen.

Het bedrijf ligt in een buitenwijk van Arusha, een snel groeiende stad in het noorden van Tanzania. Twaalf werknemers heeft Nyierenda in dienst, voornamelijk vrouwen die nog op traditionele wijze het kaf van het koren scheiden. Het werk gebeurt op een binnenplaatsje achter zijn huis, waaraan ook een bescheiden kantoor en een magazijn grenzen.

Hoog opgestapeld liggen daar de zakken met bloem, die hij over het hele land afzet. “Uitstekend meel vooral voor jonge kinderen en moeders. Tanzaniaanse Nutricia”, zegt hij wervend. Op de pakken zit een embleem, bestaande uit twee korenaren die een moeder met kind omvatten. De gelijkenis met het embleem van met de Verenigde Naties is treffend en ondernemer Nyirenda glimlacht veelbetekenend als hij er naar gevraagd wordt. Hij kent het effect van zijn promotie.

Nyerindo (45) is een inmiddels succesvolle zakenman, die steun krijgt op basis van een ontwikkelingsprogramma waarbij kleine ondernemers worden geadviseerd en bijgestaan bij hun boekhouding, financieel beheer en marktonderzoek. Faida heet het programma dat onder supervisie staat van de Nederlandse ontwikkelingsorganisatie SNV.

Tanzania is nog grotendeels een landbouwnatie, industrie van betekenis is er nauwelijks, maar kleine ondernemingen zijn sterk in opkomst. Peniel Uliwa, Tanzaniaans stafmedewerker van Faida: “De meeste ondernemers behoren tot de eerste generatie. Zij zijn zeer gemotiveerd, maar het is voor hen moeilijk. Zij kunnen niet terugvallen op ervaring van een oudere generatie.”

Particulier ondernemerschap is in Tanzania nog maar een kleine tien jaar geaccepteerd. Onder het bewind van president Julius Nyerere, die een Afrikaanse vorm van socialisme voorstond, kende het land in de jaren zestig en zeventig een centraal geleide economie. Pas na het instorten van de Tanzaniaanse economie, halverwege de jaren tachtig, koos het land voorzichtig voor een markteconomie met ruimte voor particulier initiatief.

Prins Claus noemde eerder deze maand bij zijn bezoek aan het land tegenover deze krant het stimuleren van particulier ondernemerschap “een hoopvolle ontwikkeling”. Het is een van de schaarse positieve ontwikkelingen in een land dat tot de vijf armste van de wereld behoort. Een land ook dat ondanks een gigantische inspanning van Westerse donors een schamele staat van ontwikkeling kent. In twintig jaar staken Westerse landen onder leiding van de Wereldbank 13 miljard dollar in het land. “Tanzania heeft nu een bedeleconomie, het land drijft op de steun van externe financiers”, zeggen ook ontwikkelingswerkers die er actief zijn.

Onder Nyerere was Tanzania de lieveling van de donorlanden. Een stabiele politiek, sociale hervormingen en aandacht voor de allerarmsten, trokken Westerse hulp aan. Nederland behoorde van meet af aan tot de belangrijkste financiers, maar de resultaten bleven pover. Het land is er op dit moment nauwelijks beter aan toe dan voor de periode van de steunverlening, aldus een kritisch rapport van de inspectie te velde van het departement van ontwikkelingssamenwerking vorig jaar. “Van donor-lieveling is Tanzania verworden tot donor-verslaafde”, zeggen Westerse waarnemers. Of zoals een ontwikkelingswerker het formuleert: “Tanzania is onze bijstandsmoeder in Afrika.”

Te veel projecten en te veel geld gingen er naar Tanzania. De donoren werkten langs elkaar heen, de projecten waren vaak te grootschalig en de plaatselijke bevolking was er te weinig bij betrokken, kritiseerde de inspectie te velde van minister Pronk. Ontwikkelingssamenwerking is volgens prins Claus “een eufemisme”.

“Het is een woord dat de lading niet dekt, het zijn twee zo ongelijke partners. In theorie hebben de mensen het voor het zeggen maar je hoeft maar mee te kijken bij de projecten om te zien dat het niet zo is”, zei hij.

SNV, nauw aan Ontwikkelingssamenwerking gelieerd, volgt met Faida welbewust een andere lijn. Het stimuleren en bijstaan van kleine ondernemers gebeurt via een organisatie, waarin Tanzanianen een belangrijke rol spelen. Zij kennen de cultuur van het land, zij kennen de mensen en hun gewoonten, zij zijn het ook die uiteindelijk het land moeten opbouwen. “De ontwikkeling van Tanzania zal worden bepaald door de ontwikkeling van de Tanzanianen. Zij bepalen het tempo”, zegt coordinator Uliwa, een econoom die zijn opleiding in Ghana en Dortmundt kreeg.

Op de grond van de werkplaats liggen houtkrullen, op de deur zit een minuscule krantefoto van president Mwinyi geplakt en aan de wand roept een tekst nadrukkelijk op God te eren 'so he will direct and crown your efforts'. De jonge eigenaren Jonas Mathias en Hamunael Msuya hebben al behoorlijke resultaten geboekt met hun meubelmakerij in een kleine plaats buiten Arusha. Ze maken een aardige omzet, hebben inmiddels zes werknemers in dienst en breiden geleidelijk aan uit. Ze dubben nog over een investering in een freesmachine, de gammele, zelfgemaakte, installatie schiet tekort, maar de investering voor een nieuwe machine is nog te groot.

Mathias en Msuya zijn pioniers, eerste generatie ondernemers. Hun ouders komen van het platteland, zelf werkten ze bij een baas. Het ondernemerschap bevalt hen, al moeten ze alles proefondervindelijk ervaren. “Het is trial and error, soms is het moeilijk, maar we voelen ons er prettig bij,” zegt Msuya.

De jonge Afrikanen kregen hun scholing op een nabijgelegen opleidingsinstituut dat door de plaatselijke bevolking, met steun van SNV, is opgezet. Zij krijgen met hun jonge bedrijfje via de Faida-organisatie steun bij het opzetten van goede marketingplannen. In het kantoortje hangt een primitief, maar overzichtelijk planbord met daarop de stand van de opdrachten. In de hoek liggen oude Ikea-gidsen, waaruit de meubelmakers ideeën voor nieuwe produkten halen, “Klanten kunnen hier aangeven hoe ze het precies willen hebben. Wij ontwerpen op het gevoel en onze klanten zijn tevreden”, vertelt Mathias.

Molenaar Nyirenda en meubelmakers Mathias & Msuya behoren tot de kleine Tanzaniaanse ondernemers die redelijk succesvol opereren. Ondernemingszin, ambachtelijke vaardigheid en deskundige adviseurs geven hun onderneming perspectief. Maar er zijn ook hinderlijke beperkingen. Hun grote handicap is niet de gebrekkige infrastructuur van het land, de nauwelijks nog aanwezige technologie, maar het optreden van de nationale staat. Goedkope buitenlandse produkten uit met name de Aziatische landen zijn een grote bedreiging.

Faido-coordinator Uliwa: “Veel ondernemers doen het heel behoorlijk, maar ze kunnen niet concurreren tegen de goedkoper concurrentie, omdat importheffingen op grote schaal worden ontdoken. Dat werkt voor de Tanzaniaanse ondernemers heel ontmoedigend.”

Het ontduiken van importheffingen is onderdeel van de breed uitgewaaierde corruptie binnen het overheidsapparaat in Tanzania. Ambtenaren vullen hun lage inkomsten aan met illegale inkomsten, gestimuleerd door een politieke elite die hen de afgelopen jaren actief voorging in zelfverrijking. De corruptie in het land nam inmiddels zodanige vormen aan dat de Westerse donors vorig najaar hun betalingsbalanssteun stopzetten. En Noorwegen maakte nog deze maand bekend dat het ook nieuwe hulp aan het land opschort in afwachting van hervormingen.

Met de naderende presidentsverkezingen, waarbij het monopolie van de ruim 30 jaar regerende eenheidspartij van Nyerere, de Chama Cha Mapuzindi, op het spel staat, zijn snelle hervormingen niet waarschijnlijk. Westerse waarnemers verwachten dat de betrekkelijke rust van de Tanzaniaanse politiek plaats zal maken voor heftige tegenstelligen. De aanloop naar de verkiezingen lijkt daar al op te wijzen. “Het gaat nergens over de problemen van het land, het is alleen een discussie wie de baas wordt”, zo viel het de wethouder van Rotterdam Hans Simons als voorzitter van SNV op tijdens de rondreis met prins Claus.

Voor de kleine ondernemers is het politieke klimaat niet gunstig. Politieke onrust leidt niet snel tot een disciplinering van de overheidsfinanciën, laat staan tot een snelle aanpak van de corruptie. De rol van ontwikkelingssamenwerking is dan een hele kleine. Of zoals Faidao-coördinator Uliwa zegt: “ Het enige dat we kunnen doen is de mensen te stimuleren zich te organiseren en een vuist te maken tegen de overheid. Wij zijn heel eerlijk, we zeggen de mensen wat we kunnen, maar we kunnen niet de overheid veranderen.”

Voorlopig zijn de actieve kleine ondernemers nog optimistisch over hun mogelijkheden. Molenaar Nyirenda heeft zijn eerste, bescheiden buitenlandse order afgewikkeld. En meubelmakers Mathias & Msuya verwelkomen een groeiende klantenkring. “Nee, we adverteren niet, mond-op-mond reclame werkt hier uitstekend.”

De business ontwikkelt zich voor deze Tanzanianen in lijn met het het logo van Faida: een scherpe curve omhoog. Het is in het land tegelijk ook een van de weinige opwaartse bewegingen.