Ligt u lekker? (5)

Mest gestelde vragen tot nu toe: 'Weet u hoe al die artsen eigenlijk heten?' en: 'Kan ik nog inzenden?' Maar onze briefschrijvers verzwijgen zorgvuldig de namen van de geneesheren wier onvergetelijke uitspraken we hier publiceren. Wie weet, 'mogen' ze ooit nog eens terugkomen. Het is niet meer mogelijk om brieven over dit onderwerp in te sturen, althans voor patiënten. Volgende week brengen we over dit onderwerp de laatste aflevering, die gewijd is aan de ervaringen van verpleegkundigen en artsen met hun patiënten. Zij hebben desgewenst nog tot en met volgende week woensdag 28 juni om te reageren.

Wij ontvingen al enige tientallen artsen-brieven, waaronder nogal wat anonieme. Zo schreef ons bijvoorbeeld een specialist-in-opleiding. Tijdens een weekenddienst in het ziekenhuis wordt deze specialist gebeld door een collega die “een telefonische visite heeft gelopen (bestaat dat?)”. De arts wordt gevraagd “even te gaan kijken” bij een van zijn patiënten, een vrouw met koorts. “Koorts sinds vandaag? Ja, eh, dat weet hij eigenlijk niet”. De arts treft op de zaal een “zeer kortademige, rochelende ernstig zieke vrouw. Als ik mij voorstel, mijn hand op haar schouder leg, fluistert zij: “Dokter, ik ben zo blij dat U er bent, ik lig hier al twee weken, er heeft nog niemand naar mij gekeken, en ik stik zowat....”. Bij navraag bleek er inderdaad slechts eenmaal naar deze patiënte te zijn gekeken. Binnen tien minuten heb ik deze zeer zieke vrouw naar de intensive care overgebracht, waar ze helaas dezelfde avond is overleden. Zo boos, zo ongelooflijk boos ben ik geworden. En zo machteloos. Dergelijke dingen gebeuren vaak, te vaak in dit ziekenhuis. Huilend rijd ik die avond naar huis”.

Dus: artsen en verpleegkundigen - kan alles door de beugel in uw ziekenhuis? En: wordt U wel eens door uw patiënten afgeblaft? Boven en beneden Zaterdags Peil. De boekebonnen zijn toegekend aan: Mieke Huisman-Verbeek, Hilde van der Togt en J.S. van Beresteyn-van Essen.

Verwisseld

Zo'n twintig jaar geleden liep ik voor een stage een dag mee in de poliklinische behandelkamers gynaecologie van een ziekenhuis in Rotterdam. Er zou die middag o.a. bij één van de patiënten een spiraaltje verwisseld worden. Een co-assistent ging deze mevrouw uit de overvolle wachtkamer halen. Hij liep de gang op en brulde: “En wie van de dames komt om de binnenvering te vernieuwen?”.

Later hoorde ik dat hij diezelfde dag nog kon vertrekken.

Mieke Huisman-Verbeek

Barendrecht

Loos alarm

In februari '93 werd onze dochter 2 maanden te vroeg geboren. Ze had last van apneus: ademstilstanden. Daarom lag ze aan de hartbewaking. Toen ze 4 weken oud was, mocht ze van de monitor af en werd ze op een speciaal matrasje gelegd dat alarm geeft bij een apneu. Dat zou verantwoord zijn, werd ons 's morgens uitgelegd, omdat ze geen zware apneus meer had. Maar 's avonds bleek ze helemaal niet meer op haar apneumatje te liggen. “Dat gaf zo vaak loos alarm,” was het commentaar van de verpleegster. Geschokt zeiden we dat we ons ongerust maakten en dat we een arts wilden spreken. Haar antwoord: “We kunnen er niet aan beginnen baby's voor de gemoedsrust van de ouders op een apneumatje te leggen. En, u moet maar zo denken, 10 jaar geleden haalden kinderen als uw dochter 't niet.”

Hilde van der Togt

Amsterdam

Ongemak

Mijn ervaring met foute medische beddepraat dateert van zo'n 30 jaar her, maar ik vrees dat in ieder geval de neerbuigende houding van het medisch personeel nog niet wezenlijk veranderd is.

Voordat mijn drie gezonde, voldragen zoons geboren waren, beviel ik tot twee maal toe van een zgn. prematuurtje, meisjes van nauwelijks 4 pond, die beiden niet langer dan twee dagen in leven zijn gebleven. Na een medische ingreep tijdens mijn zwangerschap, een langdurige ziekenhuisopname en een bedrustperiode van zo'n half jaar werd een voldragen zoon geboren van bijna 9 pond. Reden voor een van de verpleegkundigen, óver mijn hoofd heen tot haar collega te zeggen: “Nou, eindelijk heeft ze het dan geleerd!”

Ach wellicht is de opmerking die mijn overgrootmoeder van haar baker te horen kreeg, toen haar eerste kind kort na de geboorte overleed, nòg wranger: “Ach juffrouw Tettelaar, u moet niet huilen, d'r ligt nou een hoop ongemak in een klein kissie.”

Yvonne Siljee

Schiedam

Koorts

Na een overplaatsing van Soerabaya naar Djakarta in 1952, moest ik met ons 2-jarig mongoloïde zoontje naar de (nieuwe) kinderarts, want hij had koorts en de arts kwam niet thuis. Ik kwam met het kind op m'n arm de spreekkamer binnen, de arts keek even en zei toen: “Oh, daar heb je er weer zo één, die je maar beter meteen naar de mesthoop kunt kruien”.

J.S. van Beresteyn-van Essen

's-Gravenhage

Heup

1. Ik was 23 jaar en net begonnen als leerling-verpleegkundige. Er kwam een chirurg langs om een patiënt te vertellen dat diens been geamputeerd moest worden vanwege een kwaadaardige tumor.

Staande in de deuropening, twee meter bij de patiënt vandaan, zei hij: “Uw been moet er helemaal af”, wijzend op zijn eigen heup om de lengte van amputatie aan te geven, “anders gaat u dood. Morgenochtend bent u de eerste”. En weg was de chirurg, de patiënt en mij sprakeloos achterlatend.

2. Sinterklaas: een internist was bereid gevonden die rol op zich te nemen. Tijdens zijn goed-heilig rondje langs de patiënten kwam hij aan bij een jonge vrouw. Hij informeerde wat er met haar aan de hand was. “Een bekkenfractuur, Sinterklaas”, antwoordde de patiënte. “Ha”, reageerde de internist, “zeker door een Surinamer gegrepen”.

Teun Preyde

Haarlem

Tombola

Omdat ik aan een liesbreuk geopereerd moest worden had ik een gesprek met een chirurg. Ik wilde geopereerd worden volgens een nieuwe methode, waarbij door drie kleine openingen een versteviging in de buikwand wordt aangebracht. Doet u dat? vroeg ik. Ja, zei de chirurg, maar je moet in de tombola. Hoezo? We zijn bezig met een blindtest en iedere patiënt moet een lootje trekken in de computer om te zien hoe hij geopereerd moet worden. Hij ging weg. Kwam terug met de mededeling: Je hebt een niet. Ik heb de operatie toen maar uitgesteld tot na de proef.

Peter Tjepkema(tjep@si.hhs.nl)

Kwaal

Na een ongelukkige val in het zwembad moest mijn stuitbeentje verwijderd worden. Gelukkig werd ik van de pre-operatieve injectie niet zo slaperig als men mij verteld had. Tot mijn verbazing zei de chirurg op het moment dat ik de operatiekamer werd binnengereden handenwrijvend: “Zo, en dit is dus de appendix?” Ik kon hem zelf mededelen dat dié er niet uit hoefde - de zuster die de brancard bestuurde wist ook van niets. Op de gang buiten de operatiekamer heb ik op de 'appendix' mogen wachten. Eens te meer een bewijs dat een patiënt geen mens is, maar een kwaal met een velletje erom.

I.M. Ris

's-Gravenhage

Huis

In 1987 lag ik na een heel moeilijke heupoperatie, die 7 uur duurde, op de intensive care. Tegen de broeder die regelmatig kwam kijken zei ik dat ik het zo bijzonder vond dat om het uur automatisch mijn bloeddruk werd opgenomen, zonder steeds maar weer een band om te moeten doen, zoals eerst. Hij zei dat het iets nieuws was en erg duur. En daar liet hij op volgen: “Trouwens voor het geld dat die operatie van u gekost heeft, kunnen ze ook een heel mooi huis wegzetten.”

Ik heb werkelijk lang schuldgevoelens gehad.

W. Mutsaers Maat

Oosterhout N.B.

Zaterdags Peil, postbus 8987, 3009 TH R'dam of voor computergebruikers via Internet zpeil@nrc.nl