Liefde tussen blank en zwart is het laatste taboe; Zwart en onzichtbaar in Zimbabwe

De Rhodesiërs zijn er decennia lang in geslaagd de rassen hermetisch van elkaar te scheiden. Maar na de fysieke en mentale verlatenheid van blank Rhodesië kwam de opwinding van het multiraciale Zimbabwe onder Robert Mugabe. De blanke Rhodies mochten blijven en over huidskleur zou niet meer worden gepraat. Inmiddels wordt er in Harare over niets anders meer gepraat. Afkeer en onverschilligheid, in het ultieme treurspel tussen de rassen: waar ligt de breuklijn in Zimbabwe en wie heeft freule Julie gezien?

Het is koel in Harare, koel en stil, en beide verschijnselen verrassen me. Want ondanks de felle zon en een hemel die zo smetteloos is dat je er of lyrisch of gek van wordt, blijft de temperatuur voor een groot deel van de dag rond de tien graden schommelen. Het komt door de ligging van de stad, op een bergplateau van zo'n vijftienhonderd meter, en natuurlijk ook door het simpele feit dat het nu winter is. Maar zo'n kou verwacht je niet in Afrika, in een stad van zwarte mensen die je gewend bent te associëren met armoede en hitte, en met herrie, drukte, gezanik van straatventers, geruzie om zitplaatsen in de bus, kabaal uit goedkope muziekinstallaties. In Harare niets van dat al. Er is wel verkeerslawaai, maar de mensen in het hart van de stad schreeuwen en roepen niet naar elkaar. Er zijn ook honderden straatventers die allemaal dezelfde prullen verkopen, olifantjes, maskers, motorfietsjes van ijzerdraad, maar ze komen heel dicht bij je staan en groeten je eerst beleefd, op fluistertoon, om geruisloos af te druipen als je zelfs na een halvering van de prijs doorloopt.

De stilte. Je zou het ook eenzaamheid kunnen noemen. Verlatenheid. Ingeslotenheid. Zimbabwe is ingesloten door land, landlocked, zoals de Engelsen het zeggen. En als Rhodesië was het land ook nog buitengesloten van de internationale gemeenschap, tussen 1965 en 1980. Er was geen weg naar zee en geen weg naar de wereld, er was zelfs geen weg naar elkaar. Want door de manier waarop men over rassen dacht hadden de inwoners van Rhodesië zich ook van elkaar afgesloten. De Shona, bedaard en in zichzelf gekeerd, hadden grote moeite met de onstuimige en rebelse Ndebele. En de 'Rhodies', de blanke boeren uit Engeland, wensten weinig meer dan een strikt zakelijke verhouding met de 'Affs'. Tijdens de internationale boycot die Ian Smith over het land heenriep toen hij Rhodesië in 1965 zelfstandig verklaarde zonder de zwarten stemrecht te geven, hadden de Rhodies geleerd alleen elkaar te vertrouwen en uitsluitend met elkaar om te gaan. Ze konden weinig in- of uitvoeren, en nog altijd is de grootste trots van de blanke farmer dat hij een feestmaal van twaalf gangen kan aanrichten zonder dat er ook maar iets in de winkel is gekocht. Ze zijn zelfvoorzienend, vanaf het eerste glaasje wijn tot het laatste blokje kaas.

Maar waarin ze niet zelf konden voorzien was culturele verandering. Er kwam geen nieuws van buiten en door de boycot konden ze niet reizen. De burgerrechtenbeweging van Martin Luther King, de losbandige jaren zestig, de strubbelingen over de immigranten in Europa, het drong allemaal niet tot hen door. De Rhodies bleven waar ze waren: in de tijdgeest van de jaren vijftig, op een bergplateau van zuidelijk Afrika, in volmaakte stilte en eenzaamheid. Hun rassewaan was misschien minder een uiting van slechtheid, en meer van hun fysieke en mentale verlatenheid.

Toen Robert Mugabe in 1980 aan de macht kwam, na een oorlog met meer dan vijfentwintigduizend slachtoffers, haalde de wereld opgelucht adem, omdat hij meteen voor de verzoening koos. Er zouden geen wraakacties plaatsvinden en geen grootschalige onteigeningen, zoals in Zambia en Mozambique, waar de economieën prompt waren ingestort. De Rhodies vormden de ruggegraat van de jonge natie, erkende de president, en over ras of huidskleur zou niet meer worden gepraat.

De waarheid is echter dat er in Zimbabwe nergens anders over wordt gepraat. Vorig jaar juni barstte er in het blad The Sunday Mail plotseling een vinnig debat los nadat de redactie zich in een commentaar had afgevraagd hoe het kwam dat vijftien jaar na de grote verzoening tussen de rassen alle armen, werklozen en analfabeten tot eenzelfde ras behoorden, namelijk het zwarte. De blanke industriëlen en boeren zijn racisten, werd in ingezonden brieven vastgesteld, waarop blanken terugschreven dat er ondanks alle positieve actie nog altijd geen zwarte technici en ingenieurs waren en dat zwarten hun onheil zelf aanrichtten door te veel kinderen te krijgen. De zwarten antwoordden toen dat de blanken hun historische rechten op het land eens moesten bewijzen, en de blanken repliceerden dat er nu sprake was van een 'zwart racisme', wat volgens zwarte briefschrijvers niet bestond en per definitie nooit kon bestaan. In oktober greep president Mugabe in en verbood verdere publikaties over het onderwerp.

Maar het gesprek gaat voort, op de veranda's van de Rhodies, zoals blijkt uit Doris Lessings reisboek African Laughter. Met leedvermaak wordt toegezien hoe de 'afrikanisering' van het land, de roemruchte indigenisation, uit de hand loopt en mislukt. Hoe de corruptie toeslaat, hoe de rivaliteit tussen de twee grootste zwarte groepen, de Shona en de Ndebele, dreigt uit te lopen op een bloedbad. Hoe de president zich achter hoge muren verschanst, omringd door ja-knikkers die het ene politieke schandaal met het andere toedekken.

De triomfalistische lacherigheid op de veranda's van de gigantische white farms maakt Doris Lessing nijdig, maar ze ergert zich ook aan de parmantigheid en de gemakzucht van nationalistische zwarten die alles zomaar van de blanken willen afpakken, omdat Afrika nu eenmaal van Afrikanen is. “Natuurlijk behoort Afrika aan de Afrikanen”, schrijft Lessing, “maar een land behoort ook aan degenen die er zich thuis voelen en er liefde voor koesteren.”

De genegenheid van de Rhodies voor het land is onbetwistbaar, maar ook curieus, omdat die niet verder reikt dan de rotsige landschappen, de weelderige planten en de buitenissige dieren. Met de zwarte mensen van Zimbabwe hebben ze niks, net zo min als de zwarte mensen iets met de blanken hebben. Doris Lessing merkt na het lezen van enkele tientallen romans van zwarte schrijvers op, dat er nooit blanke personages in voorkomen. Als er een blanke wordt opgevoerd, dan hooguit als iemand die de zwarte hoofdpersoon een lift geeft.

Ondanks hun honderdjarige samenzijn en hun tragische lotsverbondenheid is het net of de blanken en de zwarten elkaar nog nooit hebben opgemerkt. Ze kijken elkaar ook letterlijk niet in de ogen. Een zwarte ambtenaar, een balie-medewerker of ober kijkt altijd om zich heen als je het woord tot hem richt, waardoor je de indruk krijgt dat hij niet aandachtig luistert. Oogcontact, zo is hen geleerd, is ongemanierd en provocerend. Anderzijds krijg je als niet-blanke die een hotel, restaurant of club binnenloopt, waar gewoonlijk vooral blanken komen, het gevoel dat je ineens onzichtbaar bent. Niemand kijkt je aan. Er is geen afkeuring en er is geen minachting. Men ziet je domweg niet.

Deze mysterieuze onverschilligheid tegenover elkaars bestaan blijkt nog het meest uit het feit dat er in Zimbabwe geen grote groep van mulatten voorkomt. Er zijn wel kleurlingen, maar die zijn meestal het gevolg van relaties tussen Chinezen, Indiërs of Portugezen met zwarten. In zeer zeldzame gevallen gaat het om de kinderen die een blanke man verwekt heeft bij zijn zwarte dienstmeid. Maar de liefde tussen een blanke vrouw en een zwarte man is in Zimbabwe volstrekt, maar dan ook volstrekt taboe.

Aristocratisch

Daarom zit ik nu in deze kleine, donkere wachtkamer, in de hoop een gesprek te hebben met de enige blanke vrouw in het land die de raciale normen heeft getrotseerd. Ze heet Tricia Mbanga, en ik kreeg gisteravond haar naam en dit adres van Stephen Chifunyise, de huidige minister van cultuur in Zimbabwe. Maar Stephen Chifunyise heeft niets ministerieels over zich, hij is in de eerste plaats schrijver en een hoffelijke en behulpzame man van middelbare leeftijd die onlangs het toneelstuk van zijn leven schreef: Strange Bedfellows, een eenakter waarin een klein theatergezelschap een poging doet om August Strindbergs beroemde treurspel 'Freule Julie' uit 1888 in Zimbabwe op te voeren. Alleen is de aristocratische Julie nu een hedendaagse Rhodie, en Jean, de bediende in het adellijke huis, een Shona-Zimbabweaan. Het publiek is getuige van een repetitie van de cruciale liefdesscène waarin freule Julie de bediende verleidt en zich vervolgens uit schaamte en verwarring van kant maakt - maar dat punt wordt in de Zimbabweaanse versie niet bereikt.

Stephen Chifunyise was dus de uitgesproken figuur aan wie ik mijn probleem kon voorleggen: hoe het kwam dat de Rhodesiërs er kennelijk in waren geslaagd om de raciale groepen zo hermetisch te scheiden. Want zelfs in de meest gesloten sociale stelsels als van India, het pre-Victoriaanse Engeland of het aristocratische Zweden waren onmogelijke romances ontstaan tussen geliefden die liever wilden sterven dan gehoorzamen. Bovendien weet ik uit landen met een geschiedenis van slavernij dat blanken en zwarten altijd een onweerstaanbare erotische aantrekkingskracht op elkaar hebben uitgeoefend, juist omdat ze werden voorgesteld als extreme 'tegenpolen': beschaving en wildheid, zelfbeheersing en dierlijke wellust. En dan zou er in Zimbabwe niet één blanke vrouw te vinden zijn die de wetten had overtreden, niet één zwarte man die de grote verzoening letterlijk had genomen? Waar was de echte freule Julie gebleven?

Volgens Chifunyise hield ik te weinig rekening met de agrarische achtergrond van de Rhodies. Het zijn universele boerenangsten, zei hij: kom niet aan hun land en kom niet aan hun nageslacht. Een blanke man die kinderen verwekt bij een zwarte vrouw kan nog tot inkeer komen en fatsoenlijke erfgenamen ter wereld brengen. Maar een blanke vrouw raakt volkomen bezoedeld en onteerd als ze een zwarte man neemt, dat is het toppunt van vulgariteit.

Daarom was het publiek, zwart en blank, verbijsterd door de ontknoping van zijn toneelstuk: nadat de acteurs de meest verschrikkelijke oordelen naar elkaar hadden toegeslingerd, die duidelijk zijn geïnspireerd op de briefwisselingen in The Sunday Mail, werden de onenigheden terzijde gelegd en ging men door met de oefening van Strindberg. De zwarte Jean omsloot het gezicht van de blanke Julie en gaf haar een innige kus op de mond. Chifunyise: “Aan de reactie van het publiek kon je merken hoezeer men geschokt was. In de deftige zalen viel een ijzige stilte, in de meer volkse theaters en op de middelbare scholen brak gejoel los. Want zoiets heeft men hier nog nooit meegemaakt, niet op het toneel en niet in het werkelijke leven. Een zwarte man die een blanke vrouw aanraakt uit seksuele motieven, een vrouw die de man daartoe zelfs aanspoort, dat is in deze eeuw nog niet voorgekomen.”

Laat staan een huwelijk.

Maar gisteravond belde Chifunyise dan toch op, met de mededeling dat hij de echte freule Julie had gevonden. Stom dat hij er niet eerder op was gekomen, want hij kent haar, als organisator van de jaarlijkse nationale boekenbeurs in Harare. Tricia Mbanga, een echte Rhodie die voor de onafhankelijkheid trouwde met de zwarte Wilf Mbanga. Maar Tricia is niet erg toegankelijk, waarschuwde Chifunyise, ik kan beter persoonlijk langs gaan om uit te leggen wat ik wil dan haar opbellen.

Dus zit ik in de wachtkamer van de organisatie die de boekenbeurs op touw zet. Ik heb Tricia Mbanga anderhalf uur geleden al voorbij zien schieten en ze weet dat ik op haar wacht, maar ze laat me nog even wachten. Aan de muur hangen affiches van internationale uitgevers, op de vloer liggen gerafelde stukjes vloerkleed, in een hoek zit een typiste langzaam een brief uit te tikken. Ik heb alle smoezelige tijdschriften op het tafeltje al doorgebladerd en begin het koud te krijgen, maar dan word ik plotseling binnengeroepen: mevrouw Mbanga heeft twee minuten voor me.

Als ik uitgesproken ben kijkt ze me aan, recht in de ogen, wat op zich al bijzonder is, felle, groene ogen in een karaktervol gezicht, en zegt ze nee. Ze heeft geen zin om over die tijd te praten, de wonden zijn nu geheeld, zelfs met haar ouders is het nu bijgelegd, het is voorbij, afgedaan, geschiedenis.

Mijn enige verweer is dat het voor Zimbabwe nog geen geschiedenis is, omdat ze nog altijd de enige in dit land geboren blanke vrouw is die met een zwarte man is getrouwd. “Ach, de jongere generatie zal het anders doen”, denkt Tricia Mbanga. “Ze wonen in gemengde wijken, ze gaan naar gemengde scholen, sportclubs en disco's, dat zal zich ook in de liefde uiten. Het belangrijkste is dat de jongeren zich niet meer zien als Rhodesiërs, maar als Zimbabweanen. They are here to stay.”

Kent ze concrete voorbeelden, kent ze zulke jongeren die ik zou kunnen spreken? Neen. Daarom zegt ze toch maar een gesprek toe. Overmorgen - dat is twee dagen voor mijn vertrek uit Zimbabwe, maar ik moet nu niet zeuren - moet ik om halfeen naar het kantoor van haar echtgenoot gaan, die mij naar huis zal meenemen voor een gezamenlijke lunch. Het klinkt omslachtig, maar het is alles wat ik heb.

Impertinent

Eigenlijk kan ik me goed voorstellen dat Tricia Mbanga mijn verzoek enigszins impertinent vindt. Stephen Chifunyise had al duidelijk gemaakt hoe diepgeworteld de afschuw is die men ervaart bij de gedachte 'dat een Rhodie het doet met een Aff', om het ruw te zeggen. “Die afschuw is helemaal niet zo zinnenprikkelend als die in de tijd van Strindberg over een relatie tussen een edelvrouw en een knecht. In de standenmaatschappij besefte men tenminste dat de mensen van verschillende stand gewoon mensen waren. In een raciale maatschappij als het voormalige Rhodesië ontkende men die fundamentele overeenkomst. De leden van het ene ras zagen de leden van het andere als wezens van een andere orde, van een geheel andere soort, als marsmannetjes. Je kon zo'n marsmannetje misschien temmen en voor je laten werken, maar je kon er geen huwelijksverbintenis mee aangaan.”

Dat is ook de pijnlijke boodschap die Chifunyise in zijn toneelstuk verwerkt. Tijdens de repetitie van de liefdesscène klaagt de blanke actrice dat ze raakt afgeleid door het Ndebele-lied dat op de achtergrond klinkt. “Het is Shona, geen Ndebele”, zegt de zwarte acteur. “Het is een schande dat je hier bent geboren en die talen niet eens uit elkaar kunt houden.”

“Waarom zou ik ze uit elkaar houden”, antwoordt de vrouw, “jullie kunnen je toch ook gewoon in het Engels uitdrukken?”

“Engels is niet onze taal. Het is de taal van de machthebbers”, zegt de man.

“Wat een onzin”, zegt de vrouw. “Jullie hebben nu toch de macht? Al vijftien jaar! En wat hebben jullie in die vijftien jaar tot stand gebracht? Noem één ding.”

“Vrede”, antwoordt de zwarte man. “We hebben jullie racisme vergeven en verzoening aangeboden.”

“Die verzoening was bedoeld voor de zwarte stammen onder elkaar”, zegt de vrouw. “Want naast die verzoening wilden jullie Afrikanisering, wat een ander woord is voor zwart racisme.”

“Zwart racisme bestaat niet, alleen blank racisme. Afrikanisering betekent dat we terug willen wat van ons is.”

“En wij dan, moeten wij het land uit? Ik ben hier geboren, dit is net zo goed mijn land als het jouwe.”

“Ja, dat denken jullie kolonialen graag.”

“Waar zouden we dan naar toe moeten”, roept de vrouw geëmotioneerd. “We kunnen nergens anders heen!”

Hierop wordt de man zachtmoedig, wat tenslotte leidt tot de kus. Want ook hij kan nergens anders heen en Chifunyise schijnt te willen zeggen dat zowel de zwarten als de blanken hier liefde zullen moeten vinden, of anders sterven in eenzaamheid.

Oprijlaan

Twee dagen voor mijn vertrek uit Zimbabwe meld ik me op het kantoor van Wilf Mbanga. Hij is overheidsvoorlichter en coördinator van de regionale pers. Maar hij is afwezig. “Ziek”, zegt zijn secretaresse zonder mij aan te kijken. Na enig aandringen krijg ik zijn huisadres, dat een flink eind buiten de bebouwde kom van Harare ligt. Het lijkt wel een farm, zo groot is het terrein, alleen al de oprijlaan is meer dan vijftig meter lang. Er is een tennisbaan, een zwembad en achter hoge bomen gaat een stralend wit geschilderd huis schuil. Wilf Mbanga ontvangt mij op de veranda. Een korte, gezette man met een lichtgrijzende baard. Vriendelijk en openhartig, heel anders dan zijn vrouw Tricia, die hem overigens niets verteld heeft over dit gesprek en zelf nog niet thuis is.

Wilf groeide op in de zogeheten High Density Area, een gesegregeerde, overbevolkte township. De eerste blanken leerde hij pas op de universiteit kennen, en later op de redactie van The Herald, waar hij en nog een andere zwarte werkten met vijftig blanke journalisten, onder wie Tricia. “We hadden geen contact met onze blanke collega's. Niet uit racisme, maar gewoon omdat we niet goed raad wisten met elkaar.”

Bij toeval kregen Tricia en hij samen de opdracht om een zwarte politicus te interviewen. De man kwam niet opdagen, zes uur lang zaten ze te wachten in de hotellobby: “We raakten in gesprek, we keken elkaar aan en we werden verliefd.”

Maar het was 1977. Zij woonde in de blanke wijk, maar ze kende buitenlandse correspondenten, die hen soms uitnodigden voor het weekend. Samen naar de bioscoop of een restaurant was in die tijd, op het hoogtepunt van de strijd tussen het Rhodesische leger en de guerilla's, die langzaam de stad naderden, uitgesloten.

Het nieuws lekte uit op de redactie en tijdens de kerstborrel van dat jaar werd Tricia op het toilet omringd door zes vrouwen, collega's en echtgenoten van collega's, die haar ritueel bespuugden. Een maand later werd Tricia ontslagen omdat uit haar stukken de invloed zou blijken van 'die kleine zwarte communist'. “Mij ontsloegen ze niet, ik was hun token nigger”, zegt Wilf Mbanga grinnikend.

Tricia's vader was bestuursambtenaar, die haar tijdens heftige ruzies ervan beschuldigde zijn carrière te willen ruïneren. Maar Tricia's mededeling dat ze zwanger was en ging trouwen was de laatste druppel. Een huwelijk met een zwarte werd in Rhodesië zo krankzinnig geacht, dat er niet eens een wet tegen bestond. Ze ging wonen in de flat van Wilf en werd telkens door de politie aangehouden met de vraag of ze verdwaald was. Enkele maanden later werd Wilf bij de gemeente ontboden. Was het juist dat een persoon van Europese afkomst, van vrouwelijk geslacht, in het huis woonde? Dan had hij twee weken de tijd om de flat te ontruimen. Ze verbleven met de baby in motels, op boerderijen, in dorpen en bij vrienden, tot de overwinning van Mugabe hen bevrijdde.

Dan komt Tricia aangereden. Ze excuseert zich halfjes, alsof ze gehoopt had dat ik niet zou komen opdagen, en vraagt of ik 'het verhaal' al heb gehoord. “En? Vond je het zielig?”

Ik probeer de vijandigheid te negeren en begin over het toneelstuk van Stephen Chifunyise, wat haar inderdaad milder stemt. “Het verschil is dat freule Julie louter uit zinnelijke belangstelling handelde. Bij mij lag dat niet zo.”

Ze aait haar man teder over zijn hoofd: “Wilf was per slot niet lang, knap en donker, of wel donker, maar in andere zin. Maar hij kwam ineens in mijn leefwereld, in mijn referentiekader, zou je kunnen zeggen. Want zo werkte het vroeger: de blanken en zwarten hadden ieder hun eigen gedachtenwereld, waarin de ander niet voorkwam. Als ik mijn moeder een verhaal vertel, wil ze nog steeds eerst weten of het om een zwarte of een blanke gaat. Niet dat haar emotie erdoor verandert, ze zal even sterk meeleven met de hoofdpersoon als anders. Maar het is voor haar op een of andere manier relevante informatie. Voor mij is het al iets minder relevant en voor onze kinderen helemaal niet meer.”

Maar de referentiekaders veranderen maar langzaam, gezien de zeldzaamheid van gemengde relaties in Zimbabwe. “Waar wil je naar toe”, vraagt Tricia fel, “naar dwaze generaliseringen als in The Sunday Mail? Ik ken ook goede blanken en zwarte rotzakken en mensen die per situatie anders reageren, de moeders op de school van mijn kinderen, onderwijzers, artsen, verpleegsters. Kun je over al die individuele personen een oordeel vellen? Ik klink niet erg welwillend, maar je vragen dwingen me in termen waarin ik niet graag spreek.”

Ze heeft gelijk. Ze weigert zichzelf als 'exemplarisch geval' te laten behandelen, het is haar persoonlijke leven dat voor haar alleen particuliere waarde heeft. Maar waarom is het haar dan wel gelukt om de raciale barrière te doorbreken? Het was niet de speelse nieuwsgierigheid, als bij freule Julie, nieuwsgierigheid duurt maar kort. Bij Tricia Mbanga was het haar krachtige karakter, haar tegendraadsheid, haar aan arrogantie grenzende eigenzinnigheid die haar deed volharden in haar eigen keus.

Als ik over de oprijlaan naar de grote weg loop valt me op hoe stil het hier is. Maar het is een geborgen stilte, een vredigheid die, zoals Chifunyise zou hebben gezegd, aanduidt dat ze hier liefde hebben gevonden en nergens anders naar toe hoeven.