Lage status irriteert beurspromovendi

Het bestuurscentrum van de Universiteit van Amsterdam werd deze week lamgelegd door een lawine van e-mails en faxen van protesterende promovendi. Maar de komst van de 'beurspromovendus' lijkt onvermijdelijk.

AMSTERDAM, 24 JUNI. Yvette Kopijn heeft twee banen. Ze werkt meer dan veertig uur per week aan haar promotieonderzoek bij het Belle van Zuyleninstituut van de Universiteit van Amsterdam. Gemiddeld een dag in de week werkt Kopijn als koffieschenkster in het Haarlems concertgebouw. Kopijn is een nieuw soort promovendus. Ze krijgt geen salaris, maar een beurs.

Kopijn is nog een uitzondering. Er zijn in Nederland niet meer dan tien beurspromovendi. Maar als het aan sommige universiteiten ligt zullen binnenkort veel meer onderzoekers met een beurs promoveren. En waarom ook niet, redeneren de universiteiten, in feite volgen de aio's een universitaire vervolgopleiding. En de wet biedt de mogelijkheid.

Het idee van de beurspromovendus is de laatste jaren actueel geworden omdat sinds 1991 de assistenten in opleiding (aio) een stuk duurder zijn geworden door de toen ingevoerde wachtgeldverplichtingen. Volgens de vereniging van Nederlandse universiteiten VSNU kregen eind vorig jaar 1.500 aio's een wachtgelduitkering. Daarvan waren er 900 al gepromoveerd. Veel aio's gebruiken hun wachtgeldperiode om hun promotie af te ronden. Een beurspromovendus is veel goedkoper. Hij kost de universiteit - voor vier jaar - gemiddeld tussen de 100.000 en 170.000 gulden, een aio meer dan 200.000 gulden, een belangrijk verschil in tijden van bezuinigingen op het hoger onderwijs.

De Universiteit van Amsterdam heeft in 1993 besloten te experimenteren met beurspromovendi. De Rijksuniversiteit Leiden zal vanaf september dit jaar beurspromovendi aan gaan stellen. Ook de universiteiten in Groningen, Wageningen en Utrecht hebben plannen om promovendi met een beurs aan te stellen. De faculteiten mogen zelf bepalen of ze beurspromovendi of aio's aannemen, of allebei. De technische universiteiten hebben geen plannen voor beurspromovendi. Zij zijn bang dat hun ingenieurs op die voorwaarden te weinig interesse hebben in een promotie-onderzoek.

Voor de onderzoeker maakt het volgens de VSNU weinig verschil of hij aio is of beurspromovendus. Een aio verdient in het eerste jaar ongeveer 1.600 gulden netto, een salaris dat in zijn laatste jaar oploopt tot 2.600 gulden. De hoogte van een beurs mag de universiteit zelf bepalen, maar moet tussen de 1.500 en 2.300 gulden netto zijn, zo heeft VSNU afgesproken. Een belangrijk verschil is dat de beurs vier jaar lang hetzelfde blijft.

Kopijn krijgt 2.100 gulden bruto per maand voor haar onderzoek naar de migratie-ervaringen van Surinaams-Javaanse vrouwen. “Dat leek me voldoende toen ik begon”, zegt ze. “Maar het is gewoon niet genoeg. Ik houd ongeveer 1.400 gulden over, maar daarvan moet ik zelf mijn reiskosten en ziektekostenverzekering betalen. Aio's krijgen daarvoor een tegemoetkoming.”

Kopijn besloot het bijbaantje dat ze als student had, te houden. “Ik had niet genoeg geld voor studieboeken, ik had een computer nodig en ik kan op mijn werk toch moeilijk in een spijkerbroek met gaten verschijnen”, zegt ze. Na een half jaar is ze gestopt met koffieschenken. “Ik werkte meer dan 50 uur per week, dat hield ik gewoon niet meer vol.” Ook haar “lage status” irriteert haar, “terwijl ik toch hetzelfde werk doe als gewone wetenschappelijk medewerkers”.

“De kwaliteit van proefschriften zal omlaag gaan als promovendi in moeilijkere omstandigheden moeten werken”, waarschuwt M. Hoes, vice-voorzitter van het LAIOO, de belangenorganisatie van aio's. “Beurspromovendi hebben geen recht op een eigen werkplek en computer, ze hebben geen recht op vertegenwoordiging in bijvoorbeeld de universiteitsraad en ze krijgen veel te weinig betaald.” Hoes beschuldigt de universiteiten de bezuinigingen op de zwakste groep af te wentelen. Het aanstellen van beurspromovendi heeft alleen opportunistische redenen, denkt hij. “Het is schandalig dat universiteiten beurspromovendi gebruiken voor het onderzoek, terwijl er zoveel werkloze gepromoveerden rond lopen.”

P. de Meyer, rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, vindt het “ook niet leuk” dat sommige promovendi aan zijn universiteit slechts een beurs krijgen. “Maar geen promovendi meer aannemen is niet in het belang van de universiteit, noch in het belang van de afgestudeerde student die geïnteresseerd is in wetenschappelijk onderzoek.”

Invoering van de promotiebeurs is onderdeel van veel bredere veranderingen, zegt dr. J. Raaijmakers, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van de onderzoeksschool Epos voor experimentele psychologie. “Promovendi die vier jaar alleen in een kamertje zitten te zweten, zijn echt passé. Begeleiders zullen strenger de voortgang van het onderzoek controleren. Onderzoeken van promovendi zullen ook meer worden ingepast in een bestaand programma. De enige manier om de continuïteit van wetenschappelijk onderzoek te garanderen is de promotie-opleiding in een keurslijf te dwingen.”

De faculteit Psychologie besloot begin deze week voorlopig geen beurspromovendi aan te stellen. Maar volgens Raaijmakers zal de faculteit op den duur wel moeten. “De faculteit heeft een minimum aantal promoties beloofd en dat zullen ze hoe dan ook moeten nakomen.” Raaijmakers begrijpt niet waarom het aannemen van beurspromovendi zoveel weerstand oproept. “Omringende landen hebben soortgelijke regelingen voor promovendi. Zo asociaal is het niet. Ik denk dat de huidige aio's zo verontrust zijn omdat ze het gevoel hebben dat ze worden ondergewaardeerd.”