Jongejonge, wat een lange zin!

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Een huisbewaarder (1966)

Op de flap van Een huisbewaarder schreef Vestdijk dat de roman kon worden vastgeknoopt aan de Victor-Slingelandsymfonie. Dat is larie. Als hij ergens aan moet vastgeritst, dan aan De dokter en het lichte meisje, waarin een net-afgestudeerd arts een aantal waarnemingen doet en daar allerlei erotische avonturen bij beleeft.

Aad Oosthoek heeft zijn doctoraal medicijnen en past een tijdje op het huis van een oudere vriend, die naar de wintersport gaat. Hij moet, behalve op huis en zoontje, vooral op de echtgenote passen. Dat doet Oosthoek slecht. Zelf knoopt hij een korte verhouding aan met de buitenlandse vriendin van een huisvriend en daarna ritst hij zich voor langere tijd vast aan het dienstmeisje. Ondertussen gaat de echtgenote paardrijden met een militair, in wie wij de jolige kapitein herkennen, van wie Vestdijk in 1932 dichtte: “Hij zoekt geen ijs, geen vuur, liever een lauw bad, dat een ander reeds behaagde.”

Het verhaal, dat door Oosthoek in een soort dagboek-vorm wordt genoteerd, doet verder niet ter zake. De lezer wordt voorgespiegeld dat het om de andere personages gaat, maar na afloop merkt hij dat de enige die echt iets meemaakte, Oosthoek zelf is. Zijn parasitair, nutteloos, afwachtend leven deden mij denken aan de hoofdpersoon van Saul Bellows Dangling Man.

U zou niet geloven welke redenen het dagboek geeft om het dienstmeisje uitgerekend op zolder, op oude papieren van de huiseigenaar te willen neuken, en ook de andere verwikkelingen zijn te stom om na te vertellen.

Opvallend is de roman om drie redenen. Ten eerste wordt de seksuele gang van zaken nu eens niet poëtisch en verhuld, maar praktisch en duidelijk opgeschreven. Het beurtelingse klaarkomen, de primitieve anticonceptie - heel duidelijk wordt hoe het in 1932 toeging. De roman werd in 1965 geschreven, maar speelt kennelijk voor de oorlog. Ten tweede ontbreekt een 'hogere' verliefdheid met veel smachten en wachten. Ik zal aanstonds met een klein dialoogje de directheid van Oosthoeks amoureuze betrekkingen aangeven.

Ten derde hangt de roman duidelijk aan een dozijn uitspraken, die in tegenstelling tot de gesprekken die vooral op indirecte wijze verteld worden, in klare taal spreken, en door de lezer onthouden worden. Ik geef zeven voorbeelden.

Als de huiseigenaar onverwacht thuiskomt, sluit zijn vrouw haar slaapkamer af (“Zijn jonge vrouw heeft hem goed ingeprent, Dat zij allang genoeg heeft van zijn praats, En dat hij haar des nachts alleen moet laten” dichtte Vestdijk in 1932).

Oosthoek hoort hem dan roepen: “Doe open! Doe open, zeg ik! Godverdomme, doe open! Doe open!” Twaalf bladzijden verder vat het vierjarig zoontje dit nachtelijk gebeuren samen met: “Pappie was boos op mammie.”

Met steeds dertig pagina's tussenruimte vertonen drie directe redes de loop van de verhouding met het dienstmeisje.

Op bladzij 128 zegt Oosthoek, bij hun eerste ontmoeting: “We moesten nu straks maar alles met elkaar gaan doen, Ellie, dat hoort er nu eenmaal bij, en je hoeft nergens bang voor te zijn.” Ellie antwoordt: “Als u graag wil...”

Op bladzijde 158 is Ellie al wat kritischer en zegt zij: “U kan er toch wat langer in blijven, het is zo'n rotgevoel.”

En op bladzij 189, als Ellie ontslagen is en Oosthoek haar thuis komt opzoeken, merkt zij, tegen alle mannen en alle werkgevers, op: “U bent allemaal hetzelfde.” De dagboekschrijver meldt dat zijn laatste woord is: “Dan kun je verder naar de verdommenis lopen.”

Ook de wijze waarop de huisheer de bewaarder het huis uitgooit, is in drie opmerkingen, met tien pagina's tussenruimte, weer te geven: “Die hond stinkt”, over de hond die tot afschuw van echtgenote en huisbewaarder door de echtgenoot wordt gehaat en gepest. “De W.C. is op de gang, hoor” als hij, na zijn neus in de wastafel te hebben gestoken, concludeert dat Oosthoek daarin gepiest heeft. “Je moeder zal het wel erg eenzaam hebben”, doet ten slotte de deur achter hem dicht.

Maarten heeft hier vorige week geklaagd over Vestdijks lange zinnen. Ik ben daar juist gek op. Nooit zijn ze lang omdat de schrijver spreektaal probeert te imiteren, of omdat hij, zoals men dat bij slechte schrijvers ziet, tussen twee zinnen geen punt maar een , zet. Als je in zo'n zin kijkt, dan is er wel eens wat op aan te merken. Maar neem nu eens een zin die even lang is als de vorige week door Maarten gelaakte.

Hij gaat over de echtgenote: “Een grote geslotenheid doemt op achter het karakterbeeld, dat ik mij van haar gevormd heb, iets waar men door haar promptheid van reageren, die half sportieve half dienstige manier van wiegend lopen, overzichtelijk, alsof er een karakterologisch gleufje in haar ronde billen zit, waar men maar een munt in hoeft te stoppen om alles van haar af te weten, niet zo gauw aan zou denken.”

Jongejonge, wat een zin! Ik zou de komma achter karakterbeeld weghalen en achter sportieve zetten. De herhaling van 'waar men' is niet mooi. Maar de overgang van de vierlettergrepige geslotenheid en karakterbeeld naar de kortheid van gleufje, billen, munt is prachtig en maakt dat men het eind van de lange zin niet zuchtend maar ademloos haalt.

Een huisbewaarder is geen goed boek. Het is wel een opmerkelijk boek. Als u van Vestdijk houdt, kunt u het niet ongelezen laten.