'Ik ben best een ikkerd, maar als junior was dat ook het beste'

Max van Heeswijk (22) baart dit seizoen opzien als neo-prof in de Amerikaanse Motorola-ploeg. Morgen is hij de jongste beroepsrenner bij het Nederlands kampioenschap. 'Ik heb altijd mijn eigen weg gevolgd, daar ben ik moeilijk van af te brengen.'

BAEXEM, 24 JUNI. De zoektocht naar Nederlands wielertalent leidt meestal naar kleine dorpjes beneden de grote rivieren. Naar Jeroen Blijlevens in Gilze-Rijen of in dit geval naar Max van Heeswijk in het Noordlimburgse gehucht Baexem. Onder de rook van Roermond staat een karakteristiek autobedrijf. Oude wrakken aan een stille ventweg. Het bedrijf dat de jonge Van Heeswijk graag wil overnemen van de oude Van Heeswijk. Zijn vader is “ons paps”, de man achter de schermen.

Samen hebben ze een programma uitgestippeld, tot ergernis en onbegrip van veel bondstrainers. Ze deden waar ze zelf zin in hadden. Ze deden niks wat hun visie op de lange termijn in de weg stond. Met als gevolg dat de jonge Van Heeswijk dit seizoen furore maakt bij Motorola, het team van de Amerikaanse kopman Lance Armstrong en van de Nederlandse ploegleider Hennie Kuiper.

Een rijke wielerloopbaan ligt in het verschiet, hoewel hij over een jaar of tien met evenveel plezier weer aan het werk gaat in het familiebedrijf. Tot die tijd zal hij fietsen en praten tegelijk. In rap tempo vertelt hij hoe zijn trainers tot wanhoop werden gedreven. Trainers die dachten de wijsheid in pacht te hebben door jonge coureurs te laten zwoegen. De inmiddels verouderde trainingsmethode was nooit aan Van Heeswijk besteed. Hij ging altijd en overal zijn eigen weg.

“Ik had als klein jongetje een racefiets waarmee ik elke dag naar school ging. Heen en weer naar Maaseik, bij elkaar toch zo'n 32 kilometer. Elke dag hield ik mijn eigen tijdrit. Maar het zat eigenlijk nooit in mijn hoofd om wielrenner te worden. Ik deed in die tijd wel aan crossfietsen. Tot mijn vader vroeg of ik niet op deweg wilde rijden. Mijn vader heeft ook fanatiek gefietst, maar hij moest altijd heel hard werken dus kwam hij niet op het hoogste niveau. En na afloop van de wedstrijd ging hij altijd de kroeg in.

“Ik ben begonnen in Limburg, maar dat is me niet goed bevallen. Het was mij daar niet Brabants genoeg. Limburgers zoeken het contact niet. Later ben ik in Brabant gaan fietsen. Daar liepen weer mensen die zich overal mee bemoeiden. Dit mocht niet, dat mocht niet. Ze hielpen me gewoon de vernieling in. Ik mocht niet de wedstrijden rijden die goed voor me waren. Ik wilde alleen maar lekker fietsen en niet te veel aan mijn kop hebben. Zij wilden het te professioneel doen en dat hoeft bij de amateurs nog niet. Dus daar zijn we ook weggegaan.”

Over zijn spontane karakter is hij snel uitgepraat. Hij vraagt wel eens advies, maar uiteindelijk maakt hij zelf wel uit wat goed voor hem is. Zijn vader heeft hem geadviseerd zich niet over de kop te rijden, hoewel de meeste ploegleiders in het voorjaar al prestaties willen zien. “Ik ben best wel een ikkerd. En als junior is dat het beste. Daar moet je voor je zelf opkomen, anders blazen ze je zo omver. Het maakt ze niet uit als je kapot gaat, dan pakken ze gewoon weer een ander. Zo hebben ze veel talentvolle jongens kapot gemaakt.

“Iedereen ging van de junioren meteen naar de amateurselectie, terwijl ze daar nog helemaal niks te zoeken hadden. Het is heel stom dat ze die keuze hebben gemaakt. Daardoor zijn er veel afgevallen. Ze zeiden tegen mij: 'Van Heeswijk, je bent gek als je promotie-competitie gaat rijden.' Maar ik wist wat ik wilde. Als amateur reed je nooit van voren. Bij de promotie won je af en toe een wedstrijd, hoewel je het niet cadeau kreeg. Ik wil gewoon van voren rijden, dat is goed voor het moraal.

“De Ronde van de Maasvallei was mijn eerste grote overwinning. Opeens kende iedereen mij. Ik werd voor de nationale selectie gevraagd. Begonnen ze weer allemaal eisen te stellen. Je moet dit en je moet dat. Tot ons paps tegen de bondscoach vertelde dat ik voor de eer bedankte. Daar keken ze raar van op. Normaal hapt iedere jongen meteen toe. Ze waren niet gewend dat je eisen stelde. Toen kwam er een coördinator van de bond die beloofde dat ik in de selectie toch mijn eigen programma mocht samenstellen. Dat was een overwinning.

“Ik bleef veel wedstrijden winnen. Toch dacht ik er eigenlijk nooit aan om prof te worden. Ik voelde me ook nooit de beste, hoewel ik misschien de beste was. Er waren anderen die dachten dat ze veel beter waren. Die hadden allemaal een tijdritfiets en die deden voor een tijdrit speciale watjes in hun neus. Alles heel professioneel. Ik hield niet van die poespas. Ik heb altijd mijn eigen fiets moeten opknappen. Ketting verschonen, uitkoken, alles deed ik zelf. Alleen het wiel rechtspaken, dat kon ik nog niet. Daar hielp ons paps mee.

“Toen de amateurverenigingen belangstelling kregen, heb ik niet gekeken wat de beste ploeg was, maar welke coach het beste bij me paste. Die zat bij Giant.

“Vorig jaar rond deze tijd was het hoogtepunt in mijn carrière. In Duitsland won ik vier grote amateurwedstrijden, juist toen iemand van Motorola langs de kant van de weg stond. Ik kreeg een visitekaartje van die man. Ik had overal kippevel. Maar na overleg met m'n vader besloten we toch nog een jaar amateur te blijven. Toen ging de selectie uit elkaar en werd ik opeens gedwongen alleen Nederlandse wedstrijden te rijden. Maar dat zag ik niet meer zitten. Ik heb in alle spoed Hennie Kuiper opgebeld of er nog steeds een plaatsje vrij was. In het najaar kreeg ik een stage-plaats en toen heb ik zo goed gereden in de Ronde van Catalonië, dat ze niet meer om me heen konden.”

Hij won bijna een rit in de Spaanse etappekoers. Meteen na afloop kwam de grote Armstrong als een van de eersten op hem af. De kleine Van Heeswijk begint te glunderen als hij zich herinnert wat de Amerikaan toen zei. “Hey Max, what are you doing. You did a great job?”

Ook Kuiper is enthousiast over het talent dat vorige week een ritzege behaalde in de Ronde van Luxemburg. “Het is een onbevangen jongen, mooi om mee te werken. Max is een afmaker, daarom denk ik dat hij in een klassieker het best tot zijn recht komt. Het is een type-Jan Janssen. Hij heeft beleving, elke wedstrijd is een feest voor hem.”

Kuiper is net zo tevreden over van Heeswijk als Van Heeswijk over Kuiper. De renner roemt het geduld en de visie van de coach. Over zijn eigen ontwikkelingen is hij optimistisch. Hij is goed in de massasprint, hij kan aardig bergop en zijn tijdritten worden telkens ietsje beter. Voor de Tour de France wordt hij voorlopig nog gespaard. Morgen behoort hij wel tot de kanshebbers bij het Nederlands kampioenschap. Maar een favorietenrol legt hij liever naast zich neer. “Voor mij hoeft al die aandacht niet. Ik heb nooit veel publiciteit gehad. Het waren altijd de anderen die zich moesten waarmaken. Ik zie wel.”